DE WAPENUITRUSTING       (yoroi)

     

 

Evolutie van het Japanse harnas

Door de eeuwen heen werden op de Japanse slagvelden harnassen gedragen. Door de grotere specialisatie van het gebruik van de boog, speer en het zwaard, gedurende de tijd van de grote oorlogen (sengoku-jidai) kende de ontwikkeling van het Japanse harnas een grote ontwikkeling. In de langdurige vrede nadien, tijdens de Tokugawa-peiode, raakte het gebruik dan weer langzaam in verval. Het harnas werd toen meer een symbool van macht en status. Het is in deze periode dat de uitermate luxueuze o-yoroi werden gemaakt. Elke clan bezat zijn eigen technieken voor het vervaardigen van een harnas,  Sommige van deze technieken werden angstvallig geheim gehouden. Het harnas werd meestal op een ereplaats bewaard, soms zelfs in een tempel. In vroegere tijden echter werden ze centraal opgeslagen. Tijdens de regering van keizer Kotoku (645), bijvoorbeeld was het verboden voor iedereen om een wapenuitrusting bij hem thuis te bezitten. Tijdens de opkomst van de krijgerklasse echter kwamen de uitrustingen toch in privť bezit terecht. Over de technieken van maken een harnas in de vroegste eeuwen is weinig overgebleven ( ook omdat er veel werd geheimgehouden, zoals eerder vermeld). Toch blijven er een paar basisprincipes gelden door de eeuwen heen. Net zoals bij onze Europese ridders, bestond een Japans harnas uit beschermende onderdelen voor hoofd, nek, borst en armen. De volledige outfit werd meestal enkel door de hogere klasse van de bushi gedragen, de lagere voetsoldaten vochten meestal zonder deze complete uitrustingen. De materialen die gebruikt werden maken duidelijk dat het harnas bij voorkeur licht moest zijn , om een grote bewegingsvrijheid te hebben, dit in tegenstelling tot de massieve en logge Europese tegenhangers. Vergelijkende studies maken duidelijk dat de Europeanen meer nadruk legden op grootte en gewicht, terwijl de Japanners vooral belang hechtten aan lichtheid en beweeglijkheid. Dit verschil toonde zich niet enkel in het ontwerp van hun harnas, maar ook aan de manier van vechten op het slagveld. 

In de 7de eeuw werden de harnassen voornamelijk gemaakt uit leder (kawa) en .dit type werd hara-ate genoemd:  Het waren nog niet de volledige harnassen met arm-en beenbescherming, eigenlijk enkel maar een lederen borstbescherming. door de ontwikkeling van nieuwe wapens werden deze harnassen geleidelijk aangepast, zoals ook de wapens dan weer werden aangepast aan de veranderende harnassen. Er was dus een wisselwerking tussen beide ontwikkelingen.

    

Hara-ate

 Deze basis van leder werd later tijdens de 8ste en 9de eeuw versterkt met ijzeren onderdelen. Gedurende de latere Heian-periode, kreeg het harnas zijn uiteindelijk typische uiterlijk met metalen platen, die verbonden en samengevoegd werden door zijden of lederen koorden. Grotere ijzeren platen bevonden zich in de "do" (borstplaat) en de "sode" (schouderplaat). Kleinere stukjes ijzer (kozane) werden samengevoegd voor de versteviging van de rest van de  onderdelen (mouwen en beenbeschermers). Het systeem van samenvlechten van de verschillende onderdelen (odoshi) werd een kunst op zich (odoshi-gei). De typische kleurenpatronen van het borduurwerk maakten het mogelijk om de krijgers van de verschillende clans van elkaar te onderscheiden. De grotere families hadden elk hun eigen karakteristiek kleurenpatroon. De Taira bijvoorbeeld kozen vooral voor purper, terwijl de Fujiwara dan weer een voorkeur hadden voor lichtgroen. Toch waren er aan dit systeem enkele min-punten. Door regen bijvoorbeeld kon dit vlechtwerk doordrenkt raken, waardoor het zwaarder en onhandelbaarder werd. ook lanspunten en mijlpunten konden verstrikt raken in het vlechtwerk ipv af te schampen zoals ze op meer massieve harnassen zouden doen.

De onderzoeker Hakuseki, verdeelde het Japanse harnas in twee grote groepen. De "oude" , bekend anls Yoroi of do-maru (gemaakt meestal voor de 16de eeuw), en de "nieuwe" gusoku, uit de periode na de 16de eeuw. Beide types bestonden echter uit de zes basiselementen , rokugu genoemd. Deze zes onderdelen waren de borstbeschermer (yoroi), de helm (kabuto), het masker (ho-ate), de versterkte mouwen (kote), de scheenbeschermers (sune-ate) en de liesbeschermer (koshi-ate).

Het aandoen van een zulk een ingewikkelde constructie was geen sinecure, zeker niet zonder hulp. Om zulk een harnas toch zonder hulp aan te doen, werden er verschillend methodes beschreven. In bepaalde gevallen hing men het korset (do) op met touwen aan het plafond, zodat de krijger er langs onder kon inglippen. Soms werd de kist van het harnas gebruikt. Het harnas stond dan op de kist, en de krijger kon er langs achter instappen ( als het een haramaki-do type was), ofwel kon hij er langs de zijkant instappen ( als het een do-maru type was).

   

 

           Do-maru  

 

Gedurende de Tokugawa-periode, kwam er een eind aan de grootschalige veldslagen, en het gebruik van de harnassen werd louter ceremonieel. De schitterende o-yoroi  uitrustingen werden enkel nog gedragen bij officiŽle ontmoetingen aan het hof en bij de shogun. Maar ook gedurende deze relatieve rustige periode, was het gebruik van beschermende kleding nooit volledig weg te denken. In de plaats kwamen veel lichtere beschermingsmiddelen, bestaande uit bijvoorbeeld malienkolders, die heimelijk onder de gewone kleding kon worden gedragen. Lichtere vormen van de gepansterde "kote" konden onder een gewone overjas gedragen worden. Net als een lichte "do" of zelfs een schouderbescherming (nodo-wa) .

 

Onderdelen van het harnas

 

Beschrijvingen uit de archieven van de samurai clans leren ons hoe een krijger zijn uitrusting aandeed. Dit verschilde nogal van clan tot clan, maar de volgende beschrijving kan toch als een min of meer leidraad gevolgd worden. Eerst deed hij een lendendoek (fundochi) om, bestaande uit wit linnen.

          

 

Daarover trok hij een onderkimono aan (shitagi) die werd samengehouden door een gordel (obi). Deze werd tweemaal rond het lichaam gewonden en langs voor dichtgeknoopt. Bushi uit de hogere klasse, droegen natuurlijk meer luxueuze kimono's (yoroi hitadare) dan het gewone voetvolk .

 

Over deze kimono droegen de officieren dan een hakama ( wijde broek met opening aan de zijde). De gewone samurai droeg ook zulk een broek, maar dan korter en smaller, dit werd een kobakama genoemd. De laagste rangen droegen zelfs nog een kortere broek, de zogenaamde matabiki.

 

 

Aan de voeten deed men dan de tabi, sokken met een aparte verdeling voor de dikke teen. Deze konden van leder (kawa-tabi) of katoen (mobien-tabi) zijn.

 

Over de schenen droeg men eerst de kyahan als bescherming voor de stevigere Sune-ate. Naargelang het seizoen konden deze al dan niet gevoerd zijn. Aan de voeten droeg men dan ook nog de laarzen, die gemaakt konden zijn van berenpels, of gewone koehuid.  Dit naargelang de status van de drager .

                Schoen uit beren pels

Het bovenste gedeelte van de dij werd beschermd door de haidate, een soort schort, die ook kon verstevigd zijn met metalen kozane (metalen plaatjes). Deze werd rond de heup gebonden en langs voor dichtgeknoopt. Naargelang de beweeglijkheid die de samurai wilde, waren hier ook verschillende stijlen en soorten .

 Vervolgens stak hij zijn handen in de beschermende handschoen (yugake) en zijn armen in een versterkte mouw (kote-tegai), die bovenaan wijder werd en doorliep tot op de schouder. Ook deze mouw was bezet met metalen strips en plaatjes voor een betere bescherming. De onderkant van de mouw kon uitlopen op een bewerkte metalen beschermplaat die de rug van de hand beschermde. De binnenkant was gevoerd met linnen, en er waren lussen voorzien voor de vingers van de krijger. 

 

Kote

 De oksels waren onbeschermd door de opening tussen de gewapende mouwen en de ijzeren platen van het kuras. Daarom deed hij om zijn schouders de waki-biki, deze bestond uit een doek met ijzeren plaatjes of zelfs een malienkolder.

Daarover deed hij dan de eigenlijke "do" of kuras, waardoor de oksel door de onderliggende waki-biki beschermd werd. De "do" was natuurlijk het centrale en belangrijkste onderdeel van het volledige harnas. Naargelang de samenstelling en onderdelen bestonden hierin verschillende stijlen. Oorspronkelijk is de "do" afgeleid van de hara-ate, gedragen door de voetsoldaten. deze vorm wordt aan de achterkant dichtgebonden. Een andere vorm is de "do-maru", die aan de zijkant wordt dichtgebonden. Over deze kuras, bindt hij dan een tweede gordel (uwa-obi).

 

 

Dan nam hij de karakteristieke sode (schouderplaten) die hij om zijn schouders bond. Deze sode bestonden in alle vormen en afmetingen. Deze bestonden uit metalen strips , verbonden met zijden koorden. De bovenste strip was meestal van massief metaal en rijkelijk versierd (kamuri-ita).De onderste strip was dikwijls gevoerd en bevestigd met de typische kruissteek. Het geheel vormde een flexibel  en toch stevig geheel.  Samurai van een lagere klasse droegen simpeler sode, soms enkel bestaande uit gelakt leder of een gevoerde doek, bedekt met kettingen (kusari)sode) of malienkolder, hangend vanaf een grotere ijzeren plaat.

Daarna bond hij zijn twee zwaarden om (daisho). In vroegere tijden droeg hij ook nog een extra zwaard, de nodachi, dat meestal nog langer was dan de katana, en op de rug gedragen werd. Vanaf de Tokugawa-periode kwam dit zwaard echter geleidelijk in onbruik.

 

Om zijn nek te beschermen bond hij vervolgens de nodo-wa om en zijn uitrusting was kompleet na het opzetten van de helm (kabuto) en gelaatsmasker (mempo).

 

   

Als Afwerking droeg men dan ook nog in laatste instantie en overjas over het harnas, deze werd jimbaori genoemd en was vooral een statussymbool voor de hogere officieren. Meestal was het wapenschild van de clan op deze overjas geborduurd. Meestal werd deze in het kampement of bij parades gedragen. Maar in oude scrolls  zien we hem ook in het heetst van de strijd gedragen.

 

 


JINBAORI

 

 


Kegutsu

 

 

Als extra attributen hadden de samurai nog enkele opmerkelijke items bij. Zo was er een speciale zak die ze bij zich droegen om de hoofden van afgehakte tegenstanders in te vervoeren. Te voet werd deze aan de heup gedragen, en te paard hing hij aan het zadel. Ook een zakje met medicijnen (inro) werd op of onder de do meegedragen. Aan de gordel hing ook meestal een stuk touw dat voor allerlei doeleinden kon worden gebruikt, zoals het vastbinden van gevangenen of om zijn paard vast te binden.


 


 

 

 

Zoals gebruikelijk werden deze uitrustingen ook rijkelijk versierd naargelang de status van de drager. Elk onderdeel van zowel de uirusting als de wapens (zie hoofdstuk over de katana en tsuba) waren meesterwerken van ambachtskunst. Enkele  opvallende verschillen met onze westerse uitrustingen vinden we bij  de gebruikte zadels (kura) en stijgbeugels (abumi) van de ruiters. Ook hier zien we weer het uitzonderlijke oog voor de detail afwerking