DE KATANA 

Een Japans zwaard wordt katana  genoemd , of daito  wat langzwaard wil zeggen . meestal wordt het woord katana gebruikt, wat de kunyomi ( japanse leeswijze) is van de kanji . De Chinese leeswijze (onyomi) van dat karakter is too. De katana werd door de samurai gedragen samen met de wakizashi (kort zwaard) . De twee zwaarden samen worden daisho genoemd. Zij weerspiegelden de sociale macht van de samurai.

De katana wordt in de eerste plaats gebruikt om te snijden , alhoewel men er ook mee kan steken . Zowel met één hand of met twee handen is het mogelijk een katana te hanteren, doch de meest gebruikelijke manier is die met twee handen. De katana wordt aan de linkerkant gedragen met de snede naar boven ( alhoewel dit in de oudheid soms anders was). Verschillende sporten waarbij de katana wordt gebruikt bestaan nog steeds , zoals de kunst van het trekken van het zwaard (iaido) of kendo ( waar het zwaard nu is vervangen door een bamboe zwaard (shinai)).

Een groot gedeelte van de middeleeuwse Japanse cultuur werd bepaald door de zwaardcultus van de samurai. Er bestond ook een zeer ingewikkelde etiquette ivm het hanteren en behandelen van de zwaarden.

Als bvb een samurai iemands huis binnenging moest hij goed nadenken hoe hij zijn zwaard plaatste bij het knielen. Als hij zijn zwaard plaatste op een manier zodat hij het snel kon trekken, impliceerde dat een achterdocht of zelfs agressie. Dus, of hij zijn zwaard plaatste aan de linker- of rechterkant, met de snede naar onder of boven, was allemaal onderdeel van de etiquette. Bij de gastheer stonden de katana en wakizashi meestal in een laag rekje. De katana lag onderaan en de wakizashi bovenaan. Indien echter de katana bovenaan lag, of met de snede naar onder , betekende het dat de gastheer verwachtte zijn zwaard snel te moeten kunnen trekken. Ook dit toonde dan weer een mate van achterdocht tegenover de gast. Iemand anders zwaard aanraken was helemaal uit den boze. Zelfs een toevallige aanraking bij het passeren op straat , kon leiden tot een duel op leven en dood.

 De Japanse zwaarden speelden ook een buitengewone rol in de Japanse geschiedenis.  Van de godin van de Zon, Amaterasu Omikami wordt gezegd dat ze haar kleinzoon, Ninigi-No Mikoto, een zwaard gaf toen hij naar de wereld werd gestuurd te regeren.

 

Een legendarisch zwaard  : White cloud

   

Dit zwaard, White cloud, werd gemaakt door de smid Masatoshi ergens tussen 1504 en 1520. Van deze smid wordt gezegd dat hij studeerde aan de Muramasa school in de Ise-provincie, waarna hij zijn eigen school opende in Sakakura in de Mino-provincie. De gegevens over Masatoshi zijn vaag, dit door zijn banden met Muramasa, wiens zwaarden uit de gratie vielen bij de toenmalige regering. Tokugawa Ieyasu, de heersende shogun in 1603, was bijgelovig wat betreft Muramasa zwaarden. Familieleden van hem waren gedood door  diens zwaarden en hijzelf had zich ook verwond met een dergelijk zwaard. Hij verbood hierdoor zijn samurai om Muramasa zwaarden te gebruiken. Dit leidde tot vele legenden over de snij-capaciteiten van een Muramasa zwaardblad. Men zegt dat een Muramasa-blad altijd wel iets slechts in zich heeft , en eens dat het de schede verlaat, er niet meer terug ingaat zonder bloed geproefd te hebben

De naam van dit zwaard, white cloud, komt van het hamon patroon op het lemmet, die in verschillende vlekken, de weergave vormen van witte wolken. Op het handvat vinden we een uitvoerige beschrijvng van de snijtesten die met dit zwaard werden uitgevoerd. Een vertaling van de aanwezige tekst geeft ons de volgende informatie :

 De snijtest werd op 18 december 1659 uitgevoerd door Hirata Juemon. Dit op aanvraag van de Seishi-familie. Twee lichamen van veroordeelde misdadigers werden gebruikt om de test uit te voeren. Deze werden op een hoop zand gelegd, en vastgebonden. White cloud ging doorheen de twee lichamen en tien inches diep in het zand . (het zand diende om het zwaard niet te beschadigen tijdens de test).

 

BLADE DETAILS

 

Blade length (nagasa) = 27.75 inches
Curvature (sori) = 0.5 inches middle curvature (torii sori)
Tip (kissaki) = large (o-kissaki)
Temperline (hamon) = straight with irregularities (suguha midare)
with an area of violent tempering above tang (koshiba)
Temper in Tip (boshi) = round like the head of Buddhist stone statue (jizo)
Grain in Steel (hada) = wood grain (itame)
Tang (nakago) = slight ship bottom (furisode)

 

 


Het dragen van een zwaard

Een samurai droeg een brede dikke doek (obi) die drie malen rond zijn middel was gewikkeld en van achteren geknoopt op een voorgeschreven manier.

Omdat de obi 3x rond de middel gaat, kunnen er twee openingen worden gemaakt. In de buitenste gaat de wakizashi en in de binneste de katana. De wakizashi wordt schuin voor de buik gedragen, de katana meer links aan de zijkant. Zo vormen zij ongeveer een hoek van iets minder dan 90°.

Er zijn twee manieren om een katana te dragen. Horizontaal, de samurai-manier, kannuki-zashi en schuin, de ronin manier, otoshi-zashi.

Kannuki is de naam voor een balk die een deur barrikadeert.

Een ronin is een werkeloze samurai, dus zonder heer en zonder inkomen.

Samurai droegen hun zwaard echter ook wel enigzins schuin.

Een samurai te paard kruiste de obi zodanig dat de katana horizontaal bleef zitten, anders zou de saya met de kojiri tegen het paard tikken en daar werd het paard onrustig van. Deze manier van dragen heet, net als bij een tachi, tenjin-zashi.

 
Kannuki-zashi

otoshi-zashi  Tenjin-zashi


Het etaleren van een katana

De voorkant en achterkant van een zwaard.

Japanse zwaarden en messen hebben een voor- en achterkant. De drager van een zwaard draagt het zwaard met de achterkant tegen het lichaam. Onderstaande afbeelding toont de voorkant van het zwaard. Een katana wordt gedragen met het scherp naar boven, een tachi met het scherp naar beneden

Een zwaardsmid graveert zijn gegevens (mei) op de voorkant van de nakago en de datum op de achterkant, enkele uitzonderingen daargelaten. De plaats van de mei is dus een methode om een zwaard te classificeren als katana of tachi.


Katana

 


Tachi


 

Het maken van een Japans zwaard

Vóór het smeden van de bladen, ondergingen zwaardsmeden steeds  een rituele reiniging.  Zij werkten bij hun aambeelden in witte kleren, zoals de robes van de priesters ( het smeden werd beschouwd als een heilige kunst) . Soms werkten zelfs verschillende smeden tezamen aan één zwaard. Één voor de ruwe vorm, een tweede voor het vouwen van het materiaal, en soms zelfs een specialist voor enkel de snede of het polijsten. Om hun superieure bladen te produceren, moesten Japanse handwerklieden een moeilijkheid overwinnen die alle wapensmeden over de hele wereld sinds de vroegste tijd van geregistreerde geschiedenis voor problemen hadden gesteld. Zwaardsmeden konden staal zeer hard maken zodat het een scherpe rand zou houden. Nochtans, een zwaard dat zeer hard was, was ook zeer broos en kon breken bij hard contact met een ander zwaard. De zwaardmakers wisten ook hoe het staal zacht te maken zodat het niet  brak tijdens het gevecht, maar het zachte staal kon geen scherpe rand houden en stompte snel af zodat het niet meer door pantsers of ledematen kon  snijden zoals een goed zwaard hoorde te doen.

De smid geeft een zwaard een kromming die wordt versterkt bij het hardingsproces. Het nut van deze kromming is dat een Japans zwaard, als het door materiaal snijdt, niet loodrecht op het materiaal staat en het dus splijt, maar het staat onder een hoek. Door deze snijdende werking in plaats van splijtende werking is de weerstand lager. Hierdoor is het destructieve effect van het wapen groter en de krachten op het materiaal zijn kleiner. Hierdoor zal het wapen minder snel kapot gaan en de gebruiker wordt minder snel moe. Zo kon een samurai lang achter elkaar vechten zonder zijn energie te verspillen.

 

 Het smeden van het zwaard

Één manier waarop de Japanse zwaardmakers het probleem oplosten was het uithameren van een  blok ijzer (tamahagane) dat werd verkregen door het smelten van ijzerhoudend zand in een tatara-oven. Dit werd dubbelgevouwen en werd dan opnieuw uitgehamerd. Nadat dit een dozijn keer was herhaald, bestond het staal uit duizenden papier-dunne lamineringen van hard en zacht metaal.

  tatara oven 

 tamahagane                 

 

  

( door 14 maal te plooien ontstaan er méér dan 16.000 lagen) .Door deze methode bereikte men twee doelstellingen, ten eerste werden alle onreinheden uit het staal “gehamerd” , en werd het koolstof element homogeen door het materiaal verspreid. Een kundige smid kon op deze manier perfect de kwaliteit van het staal beïnvloeden. Ten tweede verkreeg men door dit vouwen  de “jihada” of patronen waarvoor deze bladen zo beroemd zijn . In tegenstelling tot wat men algemeen denkt, is dit vouwen en hameren niet om het staal harder of sterker te maken, maar enkel om de onreinheden uit het metaal te verwijderen

Andere constructie methodes

In heel Japan zijn er nog maar vijf meester-zwaardsmeden. De kwaliteit van de zwaarden is in de Japanse geschiedenis nogal wisselend geweest. In de perioden van massafabricage waren bijna alle bladen zwak, maar in andere tijden werden er alleen zwaarden van topkwaliteit gemaakt. Het maken van een zwaard begint met een klomp ijzererts van ongeveer drie kilogram. Hieruit wordt een glanzend, scherp en een volmaakte kling gemaakt.

De wapens of werktuigen die van ijzer gemaakt werden, verbogen gemakkelijk en werden snel bot. De eerste smeden ontdekten al gauw dat er een verbetering optrad als het ijzer herhaaldelijk werd verhit en geplet. Door het ijzer te verhitten totdat het witheet werd, ontstond aan de oppervlakte een vloeibare laag, die het mogelijk maakte twee oppervlaktes aan elkaar te wellen, het zogenaamde vuurlassen. Deze techniek heeft als gunstig bijverschijnsel dat de verontreinigingen verbranden door de hoge temperaturen. Tegelijkertijd treedt door het 'openstaan' van de buitenstructuur koolstof toe tot het oppervlak van het ijzer. Deze koolstof is het gewenste bestanddeel dat het harden van het ijzer mogelijk maakt. De Japanse smeden gebruikten speciale houtskool als brandstof voor hun smidsvuur. Houtskool bevat geen zwavel of fosfor, in tegenstelling tot steenkool. Deze beide verontreinigingen hebben een nadelige invloed op staal en kunnen het gevoelig maken voor snel breken in koude toestand. Als men ijzer dubbel vouwt en aan elkaar welt, brengt men aldus koolstof naar het binnenste van de verkregen plak materiaal. Door deze behandeling diverse keren te herhalen, verbetert men het materiaal en verkrijgt men staal. Na vijftien maal vouwen krijgt men een harde taaie staalsoort, geschikt voor het maken van de snede. Acht tot tien maal vouwen geeft een kwaliteit die vergeleken kan worden met die van verenstaal. Een zachte elastische staalsoort wordt verkregen na vijf tot zeven maal vouwen. Het resultaat van dit vouwen wordt zichtbaar na polijsting als fijne patronen aan de oppervlakte of de huid (hada) van het zwaard. Men onderscheidt de volgende hoofdpatronen: mokume hada: houtnerf met cirkelvormige patronen; itame hada: houtnerf met open patronen; masame hada: rechte in de lengterichting lopende vouwpatronen; ayasugi-hada; regelmatig golfpatroon. Deze eerste zwaarden waren alle recht van vorm (chokuto) en gemaakt van een soort staal. Zoals wel meer gebeurt, is ook hier de leerling de meester voorbijgestreefd. Het vakmanschap van deze eerste Japanse smeden leidde naar het gebogen zwaard, dat beter geschikt was voor een 'snijdende' beweging, in tegenstelling tot het rechte zwaard, dat geschikter was voor een stekende beweging. Een andere verbetering die door de Japanse smeden werd toegepast. is de amalgatie van verschillende soorten staal. Een zwaard gemaakt van een soort staal dat de maximale hardheid bezit, zal lang scherp blijven maar snel breken, een zwaard gemaakt van zacht staal zal snel bot worden en gauw buigen. Een ideale combinatie werd door de Japanse smeden toegepast: een zwaard waarvan de kern werd gevormd van zacht staal (vijf maal vouwen) en de zijkanten van een verende kwaliteit (zeven maal vouwen), De snijkant van hard staal (15 maal vouwen). Deze constructie noemt men sanmai awase. Daarnaast bestaan er nog vele andere constructies, zij zijn alle op hetzelfde principe gebaseerd: zachte kern, harde zijkant. De werkwijze is als volgt: de smid prepareert drie soorten staal en stapelt deze in de gewenste volgorde als blokjes op elkaar. Hij welt dit pakket aan elkaar en rekt het vervolgens uit tot de gewenste lengte. Grote aandacht wordt door de smid besteed aan de punt (kissaki) en het aangrenzend gedeelte, de monouchi. De kissaki wordt op zodanige wijze omgesmeed, dat de gereedschapsstalen snede ook langs de snijkant van de kissaki loopt. Na het smeden, brengt de smid het zwaard in zijn eigenlijke vorm, waarbij hij een zeer dun laagje materiaal wegvijlt. Daarna volgt het belangrijkste gedeelte: de harding. De smid bedekt het lemmet eerst met een dik mengsel van klei, houtskool en andere ingrediënten, waarna hij het mengsel geheel of gedeeltelijk langs de snede verwijdert. De manier waarop hij dit mengsel wegschraapt, bepaalt, na het harden, het patroon van de geharde snede (hamon). Na het drogen van de klei wordt het zwaard verhit tot de gewenste temperatuur. Dit gebeurt in een verduisterde smidse. opdat de smid de kleur van het verhitte staal--zichtbaar bij de nakago of angel--goed kan beoordelen. Bij het bereiken van de kritische temperatuur dompelt hij het zwaard in gereinigd water van een bepaalde temperatuur. Het staal onder de dunne laag zal sneller afkoelen dan op de plekken waar het beschermd wordt door de dikke laag, waardoor de snede op die minder 'beschermde' gedeelten z'n maximale hardheid verkrijgt, terwijl het overige deel taai en veerkrachtig blijft. Deze harde strook langs de snede zal na de laatste polijsting een witte, matte formatie vormen: de yakiba. Na verwijdering van de gebakken kleilaag scherpt de smid het zwaard op een wetsteen en controleert hij het op mogelijke smeedfouten (kizu), die het zwaard waardeloos kunnen maken. Is hij tevreden over het resultaat, dan vijlt hij de angel (nakago) in de gewenste vorm en voorziet hij de nakago van zijn signatuur. Het zwaard wordt in de laatste fase van zijn 'geboorte' door een professionele polijster op Japanse wijze gepolijst.

 

Het harden van de snede

Het harden van de snede is veruit het belangrijkste en moeilijkste deel van het zwaardsmeden . Het is het harden van de snede dat het blad de mogelijkheid geeft om scherp gemaakt te worden, en deze scherpte ook te behouden.

Eerst wordt het blad ingesmeerd met “yakibatsuchi” , een mix van water,  klei en andere ingrediënten. Elke smid heft zijn eigen recept, meestal een zorgvuldig bewaard geheim. Het kleimengsel wordt aangebracht op het blad, dikker aan de bovenkant, en dunner naar de snede toe . werkend in een verduisterde kamer,met enkel het licht van het smidse vuur, wordt het blad verhit. Als de temperatuur stijgt, beginnen de kristalstructuren in het metaal te veranderen. De smid kijkt nauwlettend toe op de kleur van het verhitte metaal. Wanneer de kritieke temperatuur wordt bereikt , wordt het blad snel afgekoeld in een kuip water.  

 

Op de kritieke temperatuur (rond 750°C) , veranderd de structuur van het staal in austenite , een fase waar het koolstof combineert met het ijzer. Wanneer het blad snel wordt afgekoeld door de onderdompeling in het bad, veranderd het austenite in martensiet, het hardste type staal. Waar het yakibatsuchi het dikst werd aangebracht, zal het staal echter langzamer afkoelen , waardoor het niet veranderd in martensiet, maar in pearliet, dat zachter en flexibeler is. Deze combinatie van een zacht blad met een harde snede, geeft het zwaard zijn gewenste eigenschappen.
Het harden van het blad op deze manier, creëert ook en visuele verandering in de oppervlakte van het staal . afhankelijk van de manier hoe de klei werd aangebracht , kan een verscheidenheid van effecten worden verkregen. Dit patroon wordt de “hamon” genoemd en is de belangrijkste esthetische eigenschap van het blad. Elk patroon heeft een eigen naam. “suguha” bvb is een zeer rechte hamon , terwijl sambon-sugi een driedelige zigzaglijn is. Door de ongelijke afkoeling van blad en snede, krijgen we ook een verschil in krimping van het materiaal. Dit maakt het de smid makkelijker om de gebogen vorm aan het blad te geven. Deze gebogen vorm maakt het wapen tot een ideaal snij instrument, maar maakt het minder geschikt als steekwapen.

Na het smeden en harden hebben we nu een stuk staal. Maar wat geeft het de typische karakteristieken van een Japanse katana ?

Op onderstaande foto zien we de typische vorm met zijn verschillende onderdelen. Het meest prominente onderdeel is de middenste rand of “shinogi”. Meestal is er een vlak gedeelte van de bovenkant tot aan de shinogi, vanwaar het blad dan versmalt naar de snede. Dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Het blad kan ook reeds versmallen tot aan de shinogi, om dan verder te versmallen naar de snede toe. In deze twee gevallen spreken we van een “shinogi-hikushi”. Indien het blad echter dikker wordt van de bovenkant naat de shinogi toe, en dan versmalt naar de snede toe, spreken we van een “shinogi-takushi”.Ook de punt (kissaki) kan verschillen in vorm. Hij kan lang zijn (o-kissaki), medium (chu-kissaki) of kort (ko-kissaki). In het handvat wordt een ook een gat geboord (mekigi-ana) om het gevest in te verankeren. Daarnaast vinden we nog verschillende versieringen en markeringen zoals de horimono ( gravure op het blad), de mei ( handtekening van de smid) en de yasuri-me ( markeringen op het heft).

 

 

 

Het polijsten

De polijsting is een verhaal apart. De kwaliteit van een zwaard kan alleen zichtbaar gemaakt worden als het op Japanse wijze gepolijst wordt. De oppervlakte van het zwaard wordt als het ware opengewerkt, in tegenstelling tot de westerse polijsting, waarbij de oppervlakte wordt dichtgewreven De Japanse rneesterpolijsters bezitten grote kennis van het Japanse zwaard voor wat betreft vorm en stijl die zijn toegepast door de verschillende scholen. Zo kunnen, door een ondeskundige polijsting, de karakteristieke vorm en de eigenschappen die het zwaard moet vertonen, geheel of gedeeltelijk verdwijnen. De polijster begint met grove stenen voor het 'vormen' van het zwaard, waarna hij--stap voor stap--steeds fijnere stenen gebruikt. Eerst wordt het zwaard over de stenen heen bewogen. In een latere fase wordt het bewerkt met zeer dunne schilfers die op de rug versterkt zijn met papier en die met de duim over het zwaard worden bewogen. De jihada wordt met zeer fijne ijzeroxyde, dat door papier is gefilterd en vermengd is met plantaardige olie, op een watten rolletje gepolijst, waardoor de jihada een donkere kleur krijgt. Daarna polijst de polijster de yakiba met een zeer fijne schilfer op de duim totdat de yakiba zilverwit is (hadori). Er zijn twee soorten polijsting: de sashikomi- en de kesho-methode. Na het polijsten van de punt volgt het bruneren (drukpolijsten) met de bruneernaald van de shinogiji en de mune, de rug van het zwaard. Na deze behandeling vertonen zij een hoogglanzend oppervlak. Wat is nu het resultaat van een goede polijsting? De hada is zichtbaar, de geharde snede is matwit. Soms is langs de geharde snede of hamon een heldere lijn te zien, de nioi-lijn, die pas goed zichtbaar wordt, als het zwaard tegen het licht in wordt bekeken. Een ander verschijnsel dat in principe hetzelfde is als nio, zijn de nie-deeltjes die alleen grover zijn dan nioi. Nie manifesteert zich als kleine of iets grotere 'spiegeltjes' langs de hamon en soms ook in de yakiba. Bij sommige scholen komen ze ook in de jihada voor en we noemen ze dan jinie. Vormen deze nie een aaneengesloten lijn, dan worden ze kinsuji genoemd. Komen deze lijnen voor in de jihada dan heten zij chikei. Als deze nie als een korrelige lijn loopt heet zij sunagashi. Utsuri is een soort reflectie van de yakiba en vormt een mistig patroon in de jihada en komt alleen bij betere zwaarden voor. Het bovenstaande is een opsomming van de meest voorkomende kenmerken. De Japanse kenners onderscheiden er veel meer.


Hadori


Hadori vormen

Het slecht polijsten van een blad kan dit totaal verknoeien. In de sectie "onderhoud van een katana" staan een paar belangrijke "dont's" bij de behandeling van een oude katana. Het polijsten van een antiek zwaardblad dient dus best door een ervaren of gespecialiseerde persoon te gebeuren. In Belgie en Nederland zijn slechts enkele personen die daarvoor in aanmerking komen. Het polijsten van zulk een antieke katana wordt berekend per cm. Dit kan oplopen tot 20 euro per cm.

Belangrijk is de nagako ( heft) . Hier mag NOOIT iets aan veranderd worden (vb roest verwijderen of schoonmaken). Dit zou de waarde van het zwaard met 50% kunnen verminderen.

 '

   Voorbeeld van een “hamon”

 


De afwerking en bekleding

 

 

 

Rest ons nog enkel de inkleding van het zwaard. De meest voor de hand liggende onderdelen zijn natuurlijk het handvat ( tsuka ), de schede (saya) en de stootplaat of handbescherming ( tsuba) . Bij de decoratieve afwerking horen ook de zijde koorden die kruisgewijs rond het handvat zijn gewikkeld. Onder deze touwen (ito) bevind zich de menuki, een klein ornamentje dat de grip van de handen verbeterd ( zie foto). . Bij al deze onderdelen speelt natuurlijk het  decoratieve een grote rol. Vooral de saya (schede) en de tsuba (stootplaat) zijn dikwijls echte kunstwerken. De schede bestaat meestal uit hout, afgewerkt met een kunstige laklaag. De tsuba’s daarentegen waren meesterwerkjes van metaalbewerking en smeedkunst. Bij de vervaardiging van één enkel zwaard waren dus vele handwerklieden en kunstenaars betrokken. Het resultaat was dan meestal ook een uniek wapen dat niet enkel efficiënt en dodelijk was, maar ook een lust voor het oog. Hoe hoger de status van de drager, des te kostbaarder waren dus ook natuurlijk zijn zwaarden .

Uit praktisch oogpunt gezien is natuurlijk de kwaliteit van het zwaardblad het belangrijkste. Maar om een zwaard net dat iets méér te geven werden de onderdelen meestal tot in de kleinste details uitgewerkt. De volgende foto’s geven wat meer weer van de nauwgezetheid waarmee de Japanse smeden hun werken omtoverden van een louter gevechtsvoorwerp naar een waar kunstwerk. Zelfs de kleine menuki, die toch grotendeels verborgen waren onder het vlechtwerk van het heft, werden niet verwaarloosd. In de schede (van de wakizashi) werden soms ook kleine haarpennen (kogai) of mesjes (kozuka) aangebracht  . De kozuka bijvoorbeeld is een klein mesje dat voor allerhande werkjes kan worden gebruikt. De kogai is een haarpin die diende om het haar van de samurai op te steken, maar werd soms ook gebruikt om de hoofden van gevallen tegenstanders mee te dragen, daarvoor werd de kogai dan door de haarknot van het veroverde hoofd gestoken (bij de wapenuitrusting hoorde soms ook een stoffen zak die speciaal bedoeld was om de hoofden van vijanden mee te vervoeren.). Aan de achterkant van de kogai zien we een paar kleine "knobbeltjes", deze werden gebruikt om de oren zuiver te maken . Soms bestond een kogai ook uit twee helften, zodat men ze kon gebruiken als eetstokjes .(wari-kogai of waribashi). Deze kogai en kozuka staken in de zijkant dan de schede (saya). In sommige tsuba zien we de uitsparingen waar deze doorheen werden gestoken (kogai hitsu-ana en kozuka hitsu-ana)

Sommige van deze tsuba waren zeer kostbaar. Indien een samurai op bezoek ging bij een hoger geplaatst persoon (daimyo of shogun), was het niet gepast om een zwaard mee te nemen dat kostbaarder was dan dat van zijn gastheer. Daarom werden de tsuba en andere ornamenten dan tijdelijk vervangen door minder kostbare elementen. Ook kon een zwaard breken  en werden dan de resterende onderdelen op een nieuw blad gemonteerd. Om deze redenen zien we bij sommige oudere veel gebruikte tsuba's aan de binnenkant van de nakago-ana ( gat voor het zwaardblad) koperen inzetstukjes die dienden voor de aanpassing van het gat aan de nieuwe vorm van het zwaardblad. ( zie 4de tsuba foto)
 

Veel aandacht werd ook besteed aan de 'tsuka', of handvat. Deze houten greep werd meestal bekleed met 'same' oftewel roggehuid. Hierover wordt dan de zijden koord ((ita) aangebracht.. De same dient om de ito op zijn plaats te houden zodat het niet begint af te zakken of los te komen bij frequent gebruik.De tsuka ito absorbeert zweet en bloed en zorgt voor een comfortabele 'anti slip' greep. Katana's werden traditioneel gedragen aan de kant van de obi (sjerp of riem) en met de snede naar boven . De kant van tsuka die het dichts bij de drager zat werd de "persoonlijke kant" genoemd. Het is ook hier dat het tsuka maki (of de kunst van het wikkelen van het touw om de tsuka/handvat) begint. De Tsuka ito wordt overkruisend rond het handvat gelegd en,dan 360 graden verdraaid en gevouwen. Dit veroorzaakt een mooie reeks diamanten. Traditionele tsuka maki vereist een gelijk aantal van deze diamant openingen De mekugi (bamboo pin die het handvat op zijn plaats houdt) mag nooit worden bedekt door de tsuka ito. De tsuka ito kan uit verschillende materialen en kleuren bestaan. De meest voorkomende zijn zijde,katoen en leder

.


 TSUBA :

 

Onder de smeden van tsuba's, kennen we grote meesters. De beroemdste smid is waarschijnlijk Kaneiye uit de Muromachiperiode. Zijn werken zijn totnogtoe ongeevenaard en beelden dikwijls vredige landschappen en religieuze taferelen uit. Als vorm gebruikte hij meestal de Tatemaru-gata, Nadekaku-gata, Mokko-gata.
Een tweede beroemde naam in het smeden van tsuba's, is Nobuiye. Deze smid leefde tijdens de late Muromachi-periode tot het begin van de Edo-periode . Sommige scholen zijn duidelijk herkenbaar aan hun motieven. De Heianjo-school bijvoorbeeld is bekend voor zijn motieven van bloemen en ranken, die ingelegd worden in brons.   ( zie website : http://www.jpsword.com/ )  Ook de techniek van MOKUME-GANE, kenden de Japanse smeden reeds. Hierbij wordt een mengeling van Zilver en brons ingelegd in het metaal. Deze methode geeft een gelaagde structuur met verschillende patronen. De naam betekent letterlijk " wood-eye". Bij hedendaagse kunstsmeden ( juwelen) wordt deze techniek nog veelvuldig toegepast.

Boven : HEIANJO-school
Onder links : MOKUME-GANE

    
 


MENUKI :

Deze tot in de details uitgewerkte versieringen zitten onder het ito( vlechtwerk) op de tsuka ( handvat). Ze dienen om de handen een betere grip te geven. Net zoals alle onderdelen van een katana, zijn ze kunstwerkjes op zich, en kan de prijs van een setje menuki al gauw oplopen tot enkele duizenden euro’s. Ze zijn meestal vervaardigd uit  gegoten koper, soms ingelegd of geverfd met goud. Ook massief gouden exemplaren komen regelmatig voor. Spijtig dat deze kunstwerkjes bij montage onder het vlechtwerk van het handvat dikwijls niet tot hun recht komen.

 


 


KOGAI :


 


Aan het handvat ( tsuka) vinden we twee andere ornamenten, de fuchi-kashira. De fuchi is de ringkraag waarmee de tsuba wordt vastgezet, en de kashira is het kapje op het uitende van het handvat. Deze beiden waren meestal ook subliem afgewerkt in een bijhorend motief als de tsuba. Sets van deze fuchi-kashira worden dan ook apart te koop aangeboden. Deze miniatuur meesterwerkjes zijn een prachtig voorbeeld van metaalbewerking tijdens de Muromachi en Edo-periode. En setje fuchi-kashira kan makkelijk enkele duizenden euros waard zijn , tel dan nog een paar duizend euro voor de bijhorende tsuba, dan kan de prijs van een Japans zwaard al vrij snel oplopen tot een astronomisch bedrag. We moeten wel vermelden dat de gewone samurai in de middeleeuwen aan arm persoon was ( hij werd enkel betaald met rijst en inwoon). Hun zwaarden waren meestal zeer eenvoudig en de nadruk ging uit naar de kwaliteit van het blad, ipv naar overbodige versieringen. Enkel de hogere klasse kon zich de luxe permitteren om deze luxe zwaarden te dragen. Tijdens bepaalde periodes, kregen ook de handelaars meer macht en aanzien. Op een bepaald ogenblik mochten ook zij één zwaard ( wakizashi) dragen. Zij namen natuurlijk de kans waar om op deze manier hun rijkdom te etaleren , en versierden deze dus op de meest kostbare manier. Het aanbod van zwaarden is dus zeer gevariëerd. Soms ligt de nadruk op enkel op het zwaardblad, dat in een simpele bewaarschede van blank hout ( Japanse magnolia)  wordt bevestigd (shirasaya).  Aan de andere kant vindt men soms volledig gemonteerde schedes met zeer dure ornamenten waarin slechts een houten kopie van het zwaardblad steekt ( of zelfs helemaal geen blad) . Beiden kunnen echter even kostbaar zijn. De verzamelnaam voor versieringen van een zwaard is : koshirae



Shirosaya


 
FUCHI-KASHIRA

Als slot hebben we op de saya (schede) ook nog een kleine knop (kurikata), waar een zijden koord aan bevestigd is. Deze koord dien om het zwaard op een makkelijke manier vast te maken aan de obi (gordel). Deze zijden koord heet sageo, en kan op verschillende manier gevlochten worden. Bij een katana of wakizashi zijn deze vlechtpatronen nog redelijk eenvoudig, maar bij een tachi gebruikt men een nog sierlijker en ingewikkelder manier.

Wanneer de Zwaarden enkel een ceremoniële rol te vervullen hadden waren ze zelfs nog overdadiger versierd. Men spreekt dan wel niet meer van een katana , maar van een TACHI. Deze werd ook op een totaal andere manier gedragen, zoals de bevestigingen laten zien.

 

 


links voor meer foto's van zwaarden en toebehoren :

http://www.jpsword.com/              (algemeen)
http://home.earthlink.net/~steinrl/military.htm       (militaire zwaarden) 
http://www.arco-iris.com/George/nihonto.htm   (tsubas ed)
http://home.earthlink.net/~jggilbert/heianjo.htm     (heianjo school)
http://www.cgfinearts.com/gallery_output.cfm?GalleryID=2  (tsubas)
http://www.geocities.com/alchemyst/  (alles over zwaarden )
http://www.japanese-swords.com/pages/bat.htm  ( koshirae catalogus)



 

Onderhoud van een katana

 

Het onderhouden van een zwaard is een belangrijke gebeurtenis. Verkeerd omgaan met een zwaard kan uw kostbare belegging onherstelbaar beschadigen.

Inhoud:

 

Voorbereiding

 

1.De standaard set van benodigdheden voor onderhoud zijn:

  • Menugi-nuki: een instrument in de vorm van een kleine hamer om de menugi te verwijderen.

  • Abura: een flesje met Choji of moderne olie.

  • Nugui-gami: speciaal papier om het blad schoon te vegen. Het papier wordt grondig gekreukt om het zacht te maken.

  • Fukusa: een doekje om het blad beet te pakken zonder huidcontact.

  • Uchi-ko: het fijnste polijstpoeder is gewikkeld in Yosino-gami, speciaal handgemaakt papier en vervolgens gewikkeld in zijde of katoen, bevestigd op een houder. Het poeder is zo fijn dat het door het papier en doek heen dringt.

  • Abura-nuguishi: papier om olie te verspreiden. Een lapje stof kan ook.

  • Origineel in een kiri doosje.

 

2. Werkomgeving: zorg voor een veilige en vrije ruimte, zodat het zwaard niet in contact komt met personen of objecten. Zorg voor een schone en stabiele plaats om de onderdelen van het zwaard neer te leggen.

Leg alle schoonmaakspullen klaar voor gebruik en zorg er voor dat het doekje om in te vetten is voorzien van een beetje olie.

3. Concentratie en respect: Hou de saya met twee handen vast en buig langzaam om respect te tonen voor het zwaard.
 

 Verwijderen van de saya


4. Het trekken van het zwaard: Houd het zwaard vast met de saya in de linker hand van onderen en de tsuka in de rechter hand met een greep van boven. De scherpe kant is boven en laat de saya van u af wijzen. Trek met een voorzichtige beweging eerst alleen de habaki uit de saya, ongeveer 3 cm.

Hou het zwaard heel stil en trek vervolgens het zwaard in één beweging uit de saya. Hierbij mag het zwaard niet knellen of langs de zijkant schuren.

Laat de punt niet zakken, maar richt het zwaard omhoog. Leg de saya voorzichtig weg.

 

 


 

 Demonteren


5. Leg het zwaard neer of hou het omhoog om de mekugi te verwijderen. Verwijder de mekugi door te tikken met de mekugi-nuki.
Als de mekugi is verwijderd, leg hem dan zodanig neer dat u het niet kwijt kan raken. Let op: het zwaard zit nu mogelijk los in de tsuka en kan er uit vallen.

6. Hou de tsuka vast met de linker hand, het blad schuin omhoog met de botte kant naar u toe. Sla met uw rechter vuist op uw linker hand om een nakago die klemt in de tsuka los te maken. Als het zwaard los zit in de tsuka, kunt u het blad pakken met de fukusa met de rechter hand.

Stop de mekugi eventueel weer terug in de tsuka om hem niet te verliezen.

7. Als een zwaard is afgemonteerd met volledige koshirae, let er dan ook op dat de tsuba, seppa en habaki onverwachts kunnen loslaten. Hou daarom bij het wegleggen van de tsuba het zwaard eventueel horizontaal. Leg deze onderdelen voorzichtig weg en op volgorde van monteren.

 Schoonmaken
 

8. Voorbereidend schoonmaken: Vouw een schoonmaakpapier onderaan om het blad en veeg voorzichtig, zonder druk, met duim en wijsvinger van machi naar kissaki. Wees vooral voorzichtig en gebruik geen druk bij de kissaki.

 

9. Gebruik nu de uchiko om het blad aan beide zijden van poeder te voorzien. Geef zachte klopjes met een interval van 2 à 3 cm. Doe eerst een kant volledig, daarna de andere kant volledig. Steeds wisselen is gevaarlijk.

Veeg vervolgens het poeder weg op dezelfde manier als het voorbereidend schoonmaken.

Het doel van dit poeder is om de oude olie te absorberen. Geen poeder op de nakago.

 Bekijken

 

10. als alle uchiko-poeder is verwijderd zullen hamon en jitetsu het best zichtbaar zijn. Kantel het blad naar een lichtbron en bestudeer het blad. Ondersteun het blad eventueel met de fukusa en raak het blad vooral niet aan met de huid.
 

 Invetten


11. Hou na het bestuderen het blad weer schuin omhoog en smeer het blad in met zeer weinig olie. In de regel gebruikt men te veel olie. De nakago mag ook licht ingevet zijn.
 

Monteren

 

12. Plaats de habaki, seppa, tsuba en de andere seppa terug. Let er op dat alles goed op zijn plaats zit en goed past.

13. Haal de mekugi uit de tsuka. Hou de tsuka vast met de linker hand. Plaats de nakago terug in de tsuka, let op de richting van de scherpe kant. Richt de scherpe kant van u af, tenzij er iemand anders dicht bij tegenover u is.

Stoot nu met de palm van de rechter hand tegen de tsuka, om de nakago te laten klemmen.

Als alles goed in positie is, kunt u de mekugi terug plaatsen.

Let er op dat de mekugi stevig vast zit.

 
14. Hou de tsuka vervolgens in de rechter hand. Pak de saya met de linker hand. Hou het zwaard schuin omhoog en laat de kissaki rusten in de opening van de saya.

Hou het zwaard stil en in lijn met de saya. Trek nu de saya nu naar achteren over het zwaard, duw het zwaard niet voorwaarts in de saya. Doe dit zonder dat het zwaard klemt of schuurt.

Druk de saya goed aan tegen het zwaard als de habaki gedeeltelijk in de opening is gekomen.


 

 


 

 

Wat men NOOIT mag doen :

- probeer NOOIT het blad te slijpen . Het gebruik van een slijpsteen kan de totale vernietiging betekenen van een zwaardblad vanuit het oogpunt van een verzamelaar bekeken. Het vergt een bijzondere training en vakkundigheid, alsmede de juiste middelen om een zwaard op de juiste manier te polijsten en te slijpen

- Gebruik nooit schuurpapier of staalwol of om het eender welk ruw materiaal op welk onderdeel van het zwaard dan ook. .

- Onder geen enkele omstandigheid mag er iets gedaan worden aan de nakago ( handvat) . Dit is het belangrijkste onderdeel van de katana in verband met de identificatie . Elke verandering (zelfs poetsen of roest verwijderen) moet ten alle koste voorkomen worden . De kleinste verandering aan dit onderdeel van de katana kan hem tot de helft van zijn waarde herleiden.

- Gebruik nooit machinale buffer (polijst) toestellen op enig onderdeel van het zwaard. De ontwikkelde hitte kan verlies van hardheid veroorzaken, waardoor ook de waarde van het zwaardblad teniet gedaan wordt. Deze toestellen geven ook een te grote glans aan het metaal, wat nooit de bedoeling is bij een Japans zwaard.

- Voor dezelfde reden mag men dus ook nooit een zilver- of andere polish gebruiken.

- Probeer ook nooit of het zwaard wel snijdt. Het is vrijwel zeker dat het dit wel doet. Het is ontworpen om één ding te snijden, nl. VLEES. Andere objecten zullen het zwaard onherstelbaar beschadigen .

- Raak het zwaardblad nooit aan met blote handen. De oliën en zuren van uw huid kunnen roestvorming veroorzaken.

- Probeer nooit een vallend zwaard op te vangen. Dit kan u in het ergste geval een paar vingers kosten.

-  verwijder nooit de ito ( zijden koord) van de tsuka (handvat) . De techniek (tsuka-maki) om deze koord op de juiste manier te wikkelen is zeer ingewikkeld. Laat dit dus best doen door een ervaren persoon. De verhalen dat er tussen de koord en het handvat 'gebedspapiertjes' zouden zitten ( voor goed geluk van de krijger) zijn onwaar. Indien er papier zou tussen zitten is dit enkel als hulpmidden bedoeld bij het wikkelen van de ito.


Zwaard keuring 

Hier gaan we een beetje dieper in op de verschillende onderdelen en vormen  van de katana. De verschillende kenmerken kunnen ons een beter inzicht geven van de kwaliteit en de datering van een katana. Ook kunnen we hierdoor leren een zwaard wat nauwkeuriger te bekijken en de mooiheid ervan te leren waarderen.

 

Klassificatie der zwaarden

De vorm van de meeste zwaarden is nagenoeg gelijk. Wat het meest verschilt is de lengte. Japanse zwaarden worden gemeten in “shaku”. Één shaku is ongeveer 30 cm. Een zwaardblad korter dan één shaku wordt beschouwd als een tanto (mes). Een blad langer dan één shaku, maar korter dan 2 noemt men een shoto (kort zwaard) of ook wel wakizashi of kodachi. Een blad langer dan 2 shaku is een daito of langzwaard, dit is de categorie der katana’s. Een zwaard wordt echter enkel een katana genoemd als het met de snijkant naar boven in de riem wordt gedragen ( gemiddelde lengte 70 cm). Indien het zwaard bevestigd wordt met koorden aan de riem , noemt men het een tachi (dit zijn ceremoniële zwaarden met een gemiddelde lengte van 78 cm). Abnormaal lange bladen ( op de rug gedragen ) worden o-dachi   genoemd.  

1 shaku = 11.93 inches (30.30 cm)

1 shaku = 10 sun
1 sun = 1.193 inches (3.03 cm)

1 sun = 10 bu
1 bu = 0.119 inches (0.303 cm)

1 bu = 10 rin
1 rin = 0.01193 inches (0.0303 cm)

 

sori

 

De Japanse zwaarden kunnen wij classificeren naar hun produktie periode en onderverdelen naar de verschillende scholen.

Koto of oude zwaardperiode (794-1595)

Sjinto of nieuwe zwaardperiode (1596-1780)

Sjinsjinto of nieuw nieuwe zwaardperiode (1781-1876)

Vorm en sori hangen nauw samen met het gebruik in het verleden. In de Heian periode (794 1185), waarin het Japanse zwaard zijn typische vorm bereikte, ontstonden de vijf scholen, de Gokaden genoemd, naar respectievelijk de provincies, Bizen, Yamato, Yamashiro, Soshu en Mino-den. De tachi zwaarden uit de Heian periode werden hoofdzakelijk gebruikt door de adellijke heren te paard, wat tot uitdrukking kwam in de vorm en de lengte van het zwaard. Een sierlijk licht zwaard en een diepe sori, waarbij de grootste kromming zich dicht bij het handvat bevindt; met een lengte van ongeveer tachtig centimeter. De kling is breed bij het handvat en loopt spits toe naar de punt (fumbari). Een dergelijk licht zwaard kon met één hand gebruikt worden, zodat de andere hand het paard kon leiden. De diepe kromming bij het handvat, de koshisori werd in de Heian periode door alle scholen toegepast. In de Kamakura periode (1185-1333) veranderde deze vorm de toriizori, een kromming met het dieptepunt in het midden van de kling. De fumbari bleef aanvankelijk bestaan. In deze periode bereikte de Japanse smeedkunst een absoluut hoogtepunt, dat nimmer meer geëvenaard is. Helaas zijn de goede zwaarden uit deze tijd in het Westen niet of nauwelijks voorhanden.

In de Nambokucho periode (1333-1392) kreeg het zwaard een karakteristieke vorm: breed en soms met lengtes van meer dan een meter met zeer weinig sori. Om zo'n zwaard nog met enige snelheid te kunnen hanteren, moest het lichter worden gemaakt. Dit werd bereikt door het zeer dun te maken en soms van groeven te voorzien. Ook de andere wapens uit dit tijdperk, de naginata, de tanto en de wakizashi zijn breed, lang en licht gebogen. De vorm van dit type zwaard uit de Nambokucho-periode is belangrijk, omdat dit model zwaard, later ingekort tot ongeveer 70 centimeter, het voorbeeld zou worden voor de latere zwaarden (katana). In de vroege Muromachi periode (1392-1573) zien we een terugkeer naar de vorm van de tachi uit de Kamakura-tijd. De strijdwijze te paard werd echter vervangen door de massa infanterie tactiek, die geheel andere eisen stelde aan het zwaard. Het wordt derhalve vanaf omstreeks 1460 korter, ongeveer zestig centimeter, met een toriizori die later overgaat in sakizori, dat wil zeggen een kromming die dicht bij de punt ligt. De sakizori vorm maakt het mogelijk het zwaard bliksemsnel met een hand te trekken. Eindeloze, bloedige burgeroorlogen kenmerkten de Muromachi periode en de vraag naar zwaarden werd zo groot, dat men hier zelfs van een massaproduktie (kazu uchimono) kan spreken. De kwaliteit daalde tot een dieptepunt, de functionaliteit steeg tot een hoogtepunt. Het zijn de zwaarden uit deze periode, die zo geschikt zijn voor het beoefenen van laido. Deze zwaarden maken het snel trekken met een hand mogelijk. Vooral de smeden van de Minoden waren in deze periode zeer produktief. Hun produkten staan bekend om hun geweldige scherpte, vooral de zwaarden van de meestersmid Kanemote. Het was een van zijn zwaarden die, volgens een militaire instructiefilm uit de tweede wereldoorlog, de loop van een Browning .30 luchtgekoeld machinegeweer in tweeën kliefde. Voor de echte kenners van Japanse zwaarden is deze periode niet zo belangrijk omdat de karakteristieken in het metaal, die door hen juist zo bewonderd worden, nauwelijks voorkomen. Na de langdurige oorlogen volgde uiteindelijk een tijdperk van vrede, ingeluid door Oda Nobunaga en geconsolideerd door Toyotomi Hideyoshi en Tokugawa leyasu. De vraag naar mooie zwaarden stijgt. Gedurende de 140 jaar van verschrikkelijke burgeroorlogen waren de geheimen van de grote meesters geheel verloren gegaan. Door buitenlandse invloeden en technieken, Portugese en Hollandse, vooral bij het smelten van ijzer en het gebruik van geïmporteerd staal, veranderde ook de samenstelling van de nieuwe generatie zwaarden. Dank zij de inspanningen van enkele meestersmeden, zoals Kunihiro en Umetada Myoju, die de fabricagemethoden van de grote meesters uit de Kamakura en Nambokucho-periode overnamen, brak een nieuwe bloeiperiode, de Sjinto periode aan. De zwaarden uit deze tijd zijn ongeveer 70 centimeter lang, hebben een breed en bijna evenwijdig lemmet en weinig kromming. Zij gelijken op de zwaarden uit de Nambokucho periode, maar zij zijn dikker. De punt is groot; de nakago is in de meeste gevallen ubu (niet ingekort) en voorzien van een langere inscriptie en signatuur. De stijl van deze zwaarden wordt Keicho Sjinto genoemd, naar het tijdperk van produktie. De zeventiende eeuw brengt vele beroemde smeden voort. Wij noemen slechts Hankei, Kotetsu, Sukehiro, Yasutsugu, Tadayoshi, Tadatsuna en Shinkai. In het midden van de zeventiende eeuw ontwikkelt zich een andere, karakteristieke vorm, de Kanbun Sjinto stijl: breed bij het handvat en taps toelopend naar de punt, een zwaard met weinig buiging, een lengte van ongeveer 73 centimeter en een middelgrote kissaki. In de achttiende eeuw daalt de vraag naar zwaarden. Deze periode brengt weinig goede smeden voort. In 1780 blaast Suishinshi Masahide nieuw leven in de zwaardsmeedkunst. Door intensieve studie van oude vergeten smeedmethoden zijn hij en zijn studenten in staat zwaarden te maken in bijna alle stijlen. Vooral in de Sjinsjinto periode worden goede zwaarden gemaakt in de stijl van de Kamakura periode, van de Soshu-den en replica uit de Nambokucho periode. De zwaarden zijn dik en voelen wat 'ongebalanceerd' aan. Het smeedwerk van de Sjinsjinto smeden vertoont verschil met het werk van de smeden uit de Keicho periode, met name wat betreft de dicht gesmede, fijne jihada en grove jinie en witte groefjes. Een ander verschil vormt de nakago, die bij de zwaarden van de Keicho periode aanmerkelijk donkerder is dan die uit de Sjinsjinto periode. Naast Masahide brengt de Sjinsjinto enkele andere beroemde smeden voort: Naotane, Kyomaro, Sa Yukihide en Motohira. Het smeden van zwaarden op de oude, traditionele wijze vindt in Japan nog steeds plaats en wordt op allerlei manieren gestimuleerd door het zwaardmuseum in Tokyo.

 Latere zwaarden worden geklasseerd onder de namen :

 GUNTO
GENDAITO
SHOWATO

  Gunto verwijst naar alle zwaarden in een militaire fitting.  Gendaito zwaarden ‘moderne zwaarden’, verwijzen naar zwaarden die gemaakt werden tussen 1876 en 1945 ( al dan niet met de hand gemaakt). Showato ( showa priode zwaard) zwaarden zijn gemaakt tijdens de Showa periode ( 1926 tot 1989).

Dit zijn echter letterlijke vertalingen van de term. De echte zwaardcollector maakt  een eigen onderverdeling. Hij noemt ‘GUNTO’ alle zwaarden die machinaal vervaardigd werden tijdens de tweede wereldoorlog. De zijn dus van een lage kwaliteit, en zijn enkel interessant als oorlogs-souvenir.

GENDAI of GENDAITO worden door de verzamelaars omschreven als de zwaarden die nog op traditionele manier zijn vervaardigd. ( gevouwd staal en water gehard) . Zij moeten ook vervaardigd zijn uit tamehagane of  oroshigane. Omdat deze termen soms door elkaar gebruikt worden, is het moeilijk te bepalen met welk soort zwaard we te maken hebben. Vooral omdat het zeer moeilijk is om te bepalen van welk materiaal een zwaard is vervaardigd na het polijsten. De SHOWATO wordt over het algemeen aanzien als een minderwaardig zwaard, waarin de echte verzamelaar  niet is geïnteresseerd, omdat deze niet op de traditionele manier zijn vervaardigd.

 

In Japan bestaan verschillende organisaties die zich bezighouden met de keuring van zwaarden en onderdelen van zwaarden zoals tsuba's en fuchikashira. Bij aankoop is het dan belangrijk om zich ervan te vergewissen of het zwaard door één van deze organisaties is gekeurd. Hieronder een paar voorbeelden van zulke certificaten ( van een tsuba) met een beetje uitleg over de inhoud.

 

NBTHK ( Nihon Bijutsu Token Hozon Kyokai ) Tosogu Kanteisho

1: The licence number: No: 436791

2: The paper: Kanteisho

3: The theme: Chikirimon Sukashi Tsuba ( Spool design Sukashi tsuba )

4: If signed or not: Mumei, Shoami (unsigned, Shoami school)

5: Work Style: Ju Kaku Mokko Gata, Testsu Tsuchime ji Sukashi.( Large Square Mokko Gata, Hammered surface, Iron Sukashi Tsuba )

6: Kaku Mimi Ko Niku, Ryohitsu Shitate ( Slightly rounded Square rimm, Finished with two Hitsu ana )

7: Statement of worthyness and level of paper. In this case HOZON: Migi wa to-kyokai ni oite shinsa no kekka hozon tosogu to kanteishi kore wo shosuru ( Examination by the our association has resulted in the decision that the item to the right is a sword fitting that is worthy of preservation )

8: The date: Heisei Juichinen Nigatsu Junichi (February 10, 1999)

9: Signed and sealed: Zaidan Hojin Nihon Bijutsu Token Hozon Kyokai ( Incorporated foundation Nihon Bijutsu Token Hozon Kyokai)

 

NTHK ( Nihon Token Hozon Kai ) Tosogu Kanteisho

Front:

1: The paper. Also the level of worthyness: Kanteisho

2: The item: Tsuba

3. Attribution: Echizen Tanko saku (越前鐔工作) - Made by a Tuba craftsman in Echizen

4. This item is: Shoshin (正真) - Genuine

5. The date: Heisei Ku Nen Ju Gatsu Ju Ni Nichi (平成九年十月十二日) - 12th of October, 1997

6. Signed and sealed: Nihon Token Hozon Kai (日本刀剣保存会)


Back:

7: The licence number: Dai 4728 Go ( number 4728 )

8: Signature: Meibun Mumei ( Signature, none )

9. Work Style: TsukuriKomi (造込み) - Make, ShinMarugata (真丸形) - round shape, KataHitsuana (片櫃孔) - a Hitsu ana on one side, Kakumimi Koniku (角耳小肉) - slightly rounded squared rim

Shitaji (下地) - ground material

Tetsuji (鉄地) - iron base

10. Zugara (図柄) - motif

Raimon Karigane Sukashi (雷文雁金透し) - openwork with the motif of fret and wild geese

Hori (彫瘢雹り) - carving style - Nikubori Jisukashi (肉彫瘢雹り 地透し) - relief with openwork

11. Dimensions: Sunpo (寸法) - measurements

Tate shichi ten hachi senchi (縦 ??掘?逅使) ? 7.8 cm long

Yoko shichi ten hachi senchi (横 ??掘?逅使) ? 7.8 cm wide

12. Sword mounts: Koshirae (拵え) - exterior for swords : null

13. Other remarks: Biko (備考) - remarks : Edo jidai chuki (孔苳燦融?綯羇?(J) - middle of Edo period

 

 

NTB ( Nihon Tosogu Bijutsukan ) Tosogu Kanteisho

1: The licence number: Dai 16020 Go ( number 16020)

2: The paper: Kanteisho

3: The theme: Kawari Hanagata Sukashi Tsuba ( strange flower shape Sukashi. In this case I believe it referes to
the Double Nestled Mokko shapes or, ' a variation of Mokko' )

4: Signature and Attribution: Mumei, Akao (unsigned, Akao school)

5: Work Style: Mokko Gata, Testsu ji Sukashi Bori.( Mokko shape, Carved Iron Ji Sukashi )

6: The era: Edo Jidai (Edo period)

7: Statement of worthyness and level of paper. In this case Shiryo:Migi o Bunka Shiryo Tosogu to Nintei Suru (the object has to the right is declared culturally important)

8: The date: Heisei Junen Nigatsu Nijuhachinichi (February 28, 1998)

9: Signed and sealed: Nihon Tosogu Bijutsukan (Japanese sword fittings museum) Kancho (museum director) Ikeda Suematsu

 

NAGAKO

Dit is de 'tang' of heft van de katana. Hier kunnen we en eerste schatting maken over de ouderdom van het zwaard. Regel : hoe donkerder de nagako, des te ouder is het zwaard. een lichte metaal kleur met weinig roest duidt op een relatie jong zwaard, terwijl een bijna zwarte kleur wijst op een zwaard van minsten 500 jaar oud. Op deze nagako vinden we meestal ook de 'mei' of de handtekening van de smid terug, soms samen met de datum van fabricage. ( zie verder bij 'DATUMS')

In de vorm van de nagako, onderscheiden we verschillende types naargelang de school of het tijdperk. Belangrijk voor de identificatie van een zwaard zijn ook de vijlmarkeringen op het heft  (yasurime).  Door de tijd kunnen deze bijna helemaal weggeroest zijn. Ook dit is dus een goede indicatie voor een eerste bepaling van de ouderdom van een zwaard.

sujikaitakanohakirisujikaikiriyasukesho
katteagarikattesagarihigakigyakutakanoha

 

 

Hamon

De hamon is de “temperline” of hardings lijn van het blad. Hier onderscheiden we verschillende types. Indien het een rechte lijn betreft, spreken we van een SUGA-HI. Een golfpatroon noemen we een MIDARE-BA. Hier zijn vele varianten mogelijk

     

 suguhagunomenotare
chojisanbonsugihitatsuri
torantogarisudare
kikusuihakomidare

yahazumimigata

 

 

 Kissaki  

Kissaki, of de punt van het zwaard heeft ook vele verschillende onderdelen die kunnen verschillen volgens smid of periode. Voor de verschillende eigenschappen, bekijken we de volgende figuur. Hier vinden we de volgende onderdelen terug :

 

A) KISSAKI (punt)
B) FUKURA : de gebogen punt van de kissaki
C) BOSHI  : het geharde gedeelte van de kissaki. Als er hier geen temperlijn is, is het zwaard quasi waardeloos. Dit is het belangrijkste deel
                        van de zwaardpunt

komaruomarumidarekomi
hakikakeyakizumejizo

 

D) MONOUCHI : Snijgedeelte
   

E) KAERI : hier zien we dat de boshi naar de punt loopt  en dan een boog terug naar achter.
             Grootte van deze  boog is ook bepalend voor de kwaliteit van de punt.

 KAERI-TYPES : Als de kaeri ver terug naar beneden loopt noemen we dit “ FUKAI” ( links). Een korte kaeri noemen we “KATAKU –TOMERU”

     

 

 

 

 

 

JIHADA

De “jihada” is de korrelstructuur van het staal die we verkrijgen door het steeds weer plooien en uitsmeden van het staal. Naargelang de grootte van de korrelstructuur onderscheiden we twee grote onderverdelingen : NIE en NIEOI. In het eerste geval kunnen we duidelijk de korrels onderscheiden (figuur 1) , in het tweede geval zien we de afzonderlijke partikels niet zo duidelijk. (figuur 2)

       NIE-type     

 

    NIOI-type     

 

itamemasamemokume
ayasujimuji

 

MEI

Elke smid is ook fier over zijn werk en zal het dus ook ondertekenen . Deze handtekening noemen we “MEI” en vinden we terug op de nakago (handvat). Er bestaan natuurlijk veel zwaarden met valse handtekeningen, dus oppassen is hier de boodschap.


 Handtekening van de beroemde zwaardsmid  “Masamune”

Naast enkel zijn naam, kan de smid hier ook andere informatie graveren zoals op volgende figuur :

   

Hier staat de naam van de smid (Yamano Kanemon) , 67 jaar oud  Daarnaast staat vermeld dat het zwaard is getest op drie lichamen

 

 

 

DATUMS OP DE NAGAKO  (volgens periode (nengo))

Japanese swords have been made for over a thousand years. Many swords are inscribed with the date they were made. Swords with date inscriptions prior to 1200 C.E. are extremely rare; therefore those nengo have not been included. The inscriptions normally read from the top down, nengo (period); nen (number of years into the period); gatsu (month) and hi (day). A typical date inscription would read: "18th year of Showa, 2nd month, 8th day". To arrive at the corresponding Westernized calendar year, add the number of years into the period to the starting year of the period. During much of the 1300's, the Japanese Imperial Court was politically divided into the Southern Court and Northern Court. Most swords will have dates using the nengo of the Southern Court, but occasionally one will be encountered where the Northern Court nengo are used. There are other methods of writing dates, but the use of nengo is by far the most common

           

 

 

 

           

 

north court data


 

De katana in de moderne sport

 

 Verschillende oosterse gevechtsporten maken gebruik van de eeuwenoude technieken van het zwaardvechten ( of het verdedigen daartegen). De meest bekende is het Kendo, waar tegenwoordig gebruikt gemaakt wordt van bamboe zwaarden (shinai). Een minder bekende sport is het iai-do ( de kunst van het trekken van het zwaard). Jodo daarentegen is dan weer het vechten met de stok, in het bijzonder als verdediging tegen zwaardaanvallen.

 Zoals men weet,  werd na de 2e Wereldoorlog het beoefenen van budo (inclusief  Kendo en Iaido) in Japan verboden door de Amerikaanse bezettingsmacht.

Mede door de inspanning van enkele voorname sensei, werd het beoefenen  van o.a. Iaido en Kendo rond 1952 weer toegestaan, om het cultureel  en historisch aspect ervan te bewaren. De Zen Nihon Kendo  Renmei (All Japan Kendo Federation) werd opgericht om het

gecontroleerd en correct beoefenen van Iaido, Jodo en Kendo in Japan te garanderen

Rond 1966 werd vastgesteld dat de Kendo beoefenaars hun roots met de echte, authentieke zwaardtechnieken aan het verliezen waren. Rond deze tijd was Iaido nog altijd verdeeld in de vele stijlen (ryuha) die in de vorige eeuwen waren ontwikkeld. Dit alles maakte  het Iaido voor de budoka vrij ontoegankelijk.

Als gevolg hiervan werd door de ZNKR leiders besloten om uit deze verschillende koryu (authentieke oude stijl) enkele technieken te halen, en hiermee een set van standaard kata te ontwikkelen. Met deze nieuwe kata konden de budoka de beginselen van het Iaido aangeleerd worden.

De geboorte van het Zen Nihon Kendo Renmei Iaido (ook wel eens vermeld als seitei gata) was een feit.

Hieronder volgt een overzicht van het Zen Nihon Kendo Renmei Iaido curriculum (12 basis kata’s)

 

            1  Ippon me  Mae.

            2  Nihon me   Ushiro.

            3  Sanbon meUkenagashi.

            4  Yohon me  Tsuke Ate.

            5  Gohon me Kesagiri.

            6  Roppon me Morote Tsuki.

            7  Nanahon me  Sanpogiri.

            8  Happon me Ganmenate.

            9  Kyuhon me Soete Tsuki.

            10 Jippon me Shihogiri.

            11 juippon meSougiri.

            12 Junihon me  Nuki Uchi.

 

 De 4 basisbewegingen van Iaido     

 Bij het analyseren van al deze kata (zowel van de ZNKR als de koryustijlen), kunnen we 4 basisbewegingen opmerken. Deze 4 bewegingen komen in elke kata  terug voor, en zijn cruciaal voor het correct uitoefenen van een  kata. Ze zijn de basis waarop elke kata is opgebouwd, en moeten goed beheerst worden vooraleer er verder kan getraind worden op de details:

   1    Nuki Tsuke    De aanvalsbeweging; het trekken van het zwaard  en meteen overgaan in de aanval.

  2    Kiri Oroshi    De genadeslag; de direct daarop volgende slag, houw of steek

   3    Chiburi          Het afzwaaien van het bloed.

  4    Noto             Het terugbrengen van het zwaard in zijn schede

 


 

zwaardverhalen

 

Naast verhalen over legendarische zwaarden vinden we in de literatuur natuurlijk ook vele verhalen over befaamde zwaardvechters, met in de hoofdrol natuurlijk hun zwaard, of hun kunst om het te gebruiken. De meest legendarische verhalen gaan over Musashi Miyamoto, een befaamd zwaardvechter uit de 17de eeuw. Hieronder een paar van de meest bekende verhalen uit de Japanse literatuur.

 

Van het zwaard en de roos

Heer Hatasan van de gelijknamige zwaardschool had heer Oyo van het Ko-Oyo district uitgedaagd voor een duel met het blanke zwaard. Heer Oyo liet zich verontschuldigen; hij ging niet in op de uitnodiging. Wanneer Hatasan dit hoorde, ontstak hij in woede. Hij voelde zich zwaar beledigd en daagde heer Oyo opnieuw uit. Heer Oyo was naast zwaardvechter ook bedreven in de kunst van het bloemschikken. Toen zijn boodschapper hem de hernieuwde uitdaging overbracht, dacht hij even na. Plots trok hij zijn katana, hakte de stengel van een pioenroos doormidden en gaf die roos aan zijn boodschapper met de woorden: “Bied hem deze roos en opnieuw mijn verontschuldigingen aan.” Weer stond er geen maat op de woede van Hatasan wanneer hij de boodschap en de roos kreeg.
“De lafaard is bang voor mijn kracht en mijn stijl! En hij behandelt mij als een wijf!” Razend smeet hij de roos tegen de grond. Er nu van overtuigd dat heer Oyo bang was om met hem te duelleren, verliet Hatasan het Ko-Oyo district.

 Musashi Miyamoto de beroemde zwaardvechter was op dat ogenblik ook in het Ko-Oyo district, en wel om dezelfde reden als Hatasan. Ook hij wilde heer Oyo uitdagen voor een duel. Wanneer hem het verhaal van Hatasan bereikte, vroeg hij om de roos te mogen zien. Toen een bediende hem de bloem voorhield, bestudeerde Musashi zorgvuldig de stengel. In een flits hakte hij er met zijn zwaard een stukje vanaf. Musashi bekeek het stukje van de steel dat hij er net had afgehouwen. Hij besloot dan en daar van het duel af te zien.

De verklaring voor de beslissing van Musashi? Wanneer hij de stengel zag, wist hij zeker dat die niet door een tang of een schaar was doorgesneden. Aangezien stelen van pioenrozen buigzaam en soepel zijn, kon de snede die hij bestudeerde, alleen gemaakt zijn met een zwaard. En alleen een zeer vastberaden slag had zo'n scherpe snede kunnen maken. Wie dat ook gedaan had, hij was geen gewoon mens. Musashi had met zijn houw geprobeerd de snede van heer Oyo te copiëren, maar zijn snede was veruit de mindere geweest.

De vier vliegen

 Een samoerai gebruikte in alle rust zijn avondeten in een kleine herberg en negeerde de 4 vliegen die rondom hem zoemden volledig. Er kwamen 3  ronin (samoerai zonder meester) binnen, die begerige blikken wierpen op de 2 prachtige zwaarden die de man in zijn gordel droeg, want deze wapens zijn namelijk een fortuin waard. Een grimas van intens genoegen gleed over hun gezicht. De man leek weerloos te zijn tegenover hen. Zij gingen aan een tafel naast hem zitten en begonnen met luide stem te bespotten in de hoop een duel te ontlokken. De man bleef er echter onverschillig bij en dat wakkerde hun spot nog meer aan. Plots bracht de samoerai langzaam zijn stokjes waarmee hij zijn rijst at omhoog en met 4 snelle en zuivere bewegingen ving hij moeiteloos de 4 vliegen.  Vervolgens legde hij de stokjes zacht naast zich neer, zonder ook maar één blik op de schelmen te werpen. Een zware stilte volgde. De 3 ronin keken elkaar aan. Zij begrepen onmiddellijk dat zij hier te doen hadden met een man van uitzonderlijk meesterschap. Bevreesd namen zij de vlucht. Pas veel later kwamen zij erachter dat de man die hen zo fijnzinnig het leven had gespaard  Miyamoto Musashi heette...

De meester en zijn drie zonen

Er was eens een Kenjitsu grootmeester die erg beroemd was in heel Japan en die bij het bezoek van een andere grootmeester het onderricht wilde tonen dat hij aan zijn 3 zonen gegeven had. De meester knipoogde naar zijn gast, plaatste een zware metalen pot op de hoek van de schuifdeur en zette deze zodanig vast met een stuk bamboe en een spijkertje, dat de pot op het hoofd zou vallen van de eerste die de deur opende en de kamer binnenstapte. Terwijl zij babbelden en thee dronken riep de meester zijn oudste zoon, die onmiddellijk kwam. Maar voordat hij de deur opende voelde hij de aanwezigheid van de pot en raadde de plaats. Hij verschoof de deur, stak zijn linkerhand door de kier om de pot op te vangen en schoof met zijn rechterhand de deur verder open. Met de pot tegen zijn borst geklemd stapte hij het vertrek binnen, sloot de deur achter zich, zette de pot terug en liep verder om de meesters te begroeten. "Dit is mijn oudste zoon", sprak de gastheer lachend. "Hij heeft mijn lessen goed geleerd en eens zal hij zeker Kenjitsu meester zijn."

De tweede zoon werd geroepen en kwam zonder aarzeling binnen. Pas op het laatste moment ving hij de pot, die bijna op zijn hoofd viel, op. "Dit is mijn tweede zoon", zei de meester, "hij moet nog veel leren, maar hij wordt met de dag beter." Daarop riep hij zijn derde zoon, die hals over kop het vertrek binnenkwam en de pot op zijn hoofd kreeg. De klap kwam hard aan, maar voordat de pot op de tatami kon vallen had hij zijn zwaard getrokken en met een snelle beweging het stuk metaal in tweeën geslagen. "Dit is mijn jongste zoon, Jiro", sprak de oude man, "hij is de benjamin van de familie en moet nog een lange weg afleggen."

De theemeester en de ronin

Een meester in Cha-Dong (weg van de theeceremonie), Tajima Kozo, werd uitgedaagd door een gewetenloze ronin die er zeker van was gemakkelijk te kunnen winnen. Niet in staat zich aan de uitdaging te onttrekken zonder verlies van eer, bereidde de meester zich voor op de dood. Hij bracht daarom een bezoekje aan een naburige Kenjitsu meester en vroeg of deze hem de juiste weg kon leren om op de juiste manier te sterven. "Uw bedoeling is prijzenswaardig", sprak de expert, "en ik ben blij u te kunnen helpen, maar wees zo vriendelijk en schenk mij een kom thee."

Tajima, gelukkig met waarschijnlijk de laatste kans om zijn kunst te beoefenen, ging volledig op in de ceremonie van de theebereiding en vergat alles om zich heen. De expert werd diep getroffen door de rust waarmee de meester de thee inschonk. "Het is helemaal niet nodig dat ik u leer te sterven", zei hij tot hem. "Uw concentratie is zo diep, dat u elke zwaarddrager tegemoet kunt treden. Wanneer de ronin tegenover u staat, denk er dan in de eerste plaats aan dat u thee gaat schenken voor een gast. Groet hem hoffelijk. Leg uw bovenkleed af, vouw het zorgvuldig en leg uw waaier er bovenop, precies zoals u dat net deed. Trek vervolgens uw katana en breng hem boven uw hoofd, gereed om toe te slaan als de tegenstander aanvalt en concentreer u uitsluitend op deze handeling."

Tajima bedankte hem en begaf zich naar de plek waar het gevecht zou plaatsvinden. Hij hield zich aan de les van de expert en doordrong er zich volledig van dat hij thee zou gaan schenken voor een vriend. Toen hij het zwaard boven zijn hoofd tilde, voelde de ronin dat voor hem een heel andere persoonlijkheid zat, hij zag geen enkele opening. Tajima leek hard als een rots zonder enig spoor van angst of zwakheid. Volkomen ontmoedigd wierp de ronin zijn katana weg en vroeg nederig vergiffenis voor zijn onwaardig gedrag.


 


 

 

WOORDENSCHAT  (Engels)

 

AIKUCHI - a tanto with no tsuba (guard)
AOI - hollyhock, commonly used as a Mon
ARA-NIE - coarse or large nie
ASHI - legs (streaks of nioi pointing down toward the edge)
ATOBORI - horimono added at a later date
ATO MEI - signature added at a later date
AYASUGI - large wavey hada (grain)

BAKUFU - military government of the Shogun
BO-HI - large or wide groove
BOKKEN - wooden sword for practicing sword kata
BONJI - sanskrit carvings
BO-UTSURI - faint utsuri
BOSHI - temper line in kissaki (point)
BU - Japanese measurement (approx 0.1 inch)
BUKE - military man, samurai
BUSHIDO -the code of the samurai

CHIKEI - dark lines that appear in the ji
CHISA KATANA - short katana
CHOJI - clove shaped hamon
CHOJI OIL - oil for the care of swords
CHOJI-MIDARE - irregular choji hamon (temper line)
CHOKUTO - prehistoric straight swords
CHU - medium
CHU-KISSAKI - medium sized point (kissaki)
CHU-SUGUHA straight, medium width temper line

DAI - great or large
DAI-MEI - student smith signing his teacher's name
DAIMYO - feudal lord
DAISHO - a matched pair of long and short swords
DAITO - long sword (over 24 inches)

FUCHI - collar on hilt
FUCHI-KASHIRA - set of hilt collar (fuchi) and buttcap (kashira)
FUKURA - curve of the ha or edge in the kissaki (point)
FUKURE - flaw; usually a blister in the steel
FUKURIN - rim cover of a tsuba
FUNAGATA - ship bottom shaped nakago
FUNBARI / FUMBARI - much taper of the blade from the machi to the kissaki
FURISODE - shape of sword tang that resembling the sleeve of a kimono

GAKU-MEI - original signature inlaid in a cut-off (o-suriage) tang
GENDAITO - traditionally forged sword blades by modern smiths
GIMEI - fake signature (mei)
GIN - silver
GOKADEN - the Five Schools of the Koto period
GOMABASHI - parallel grooves
GUNOME - undulating hamon
GUNOME-MIDARE - irregularly undulating hamon
GUNTO - army or military sword mountings
GYAKU - angled back, reversed

HA - cutting edge
HABAKI - blade collar
HABUCHI - the line of the hamon
HADA - grain in steel, pattern of folding the steel
HAGANE - steel
HAGIRE -edge cracks in the hamon (fatal flaw)
HAKIKAKE -broom swept portions in the boshi
HAKO BA - box shaped hamon
HAKO-MIDARE - uneven box shaped hamon
HAKO-MUNE - square shaped blade back
HAMACHI - notch at the beginning of the cutting edge
HAMIDASHI - tanto or dagger with a small guard (tsuba)
HAMON - temper pattern along blade edge
HANDACHI - tachi mountings used on a katana or wakizashi
HATARAKI - activities or workings within the hamon or temperline
HAZUYA - finger stones used to show the hamon and hada
HI - grooves in the blade
HIRA-MUNE - flat blade backridge
HIRA-TSUKURI / HIRA-ZUKURI - blade without a shinogi (flat blade)
HIRO-SUGUHA - wide, straight temper line (hamon)
HITATSURA - full tempered hamon
HITSU / HITSU-ANA - holes in the tsuba for the kozuka or kogai
HO - kozuka blade HONAMI - family of sword appraissers
HORIMONO - arvings on sword blades
HOTSURE - stray lines from hamon into the ji

ICHI - one or first
ICHIMAI - one-piece sword construction
ICHIMAI BOSHI - point area (kissaki) that is fully tempered
IHORI-MUNE - peaked back ridge
IKUBI - boar's neck (a short, wide kissaki)
INAZUMA - lightning (a type of activity in the hamon)
ITAME - wood grained hada
ITO - silk or cotton hilt wrapping
ITOMAKI NO TACHI - tachi with top of saya wrapped with ito
ITO SUGU - thin, thread like hamon

JI - sword surface between the shinogi and the hamon
JI-GANE - surface steel
JI-HADA - surface pattern of the hada
JINDACHI - tachi
JI-NIE - islands of nie in the ji
JIZO BOSHI - boshi shaped like a priest's head
JUMONJI YARI - a yari with cross pieces
JUYO TOKEN - highly important origami for sword by NBTHK
JUZU - hamon like rosary beads

KABUTO - helmet
KABUTO-GANE - tachi style pommel cap
KABUTO-WARI - helmet breaker
KAEN - flame shaped boshi
KAERI - turnback (refers to the boshi at the mune)
KAI GUNTO - naval sword
KAJI - swordsmith
KAKIHAN - swordsmiths or tsuba makers monogram
KAKU-MUNE - square back ridge
KAMIKAZI - divine wind
KANJI - Japanese characters
KANMURI-OTOSHI - backridge beveled like a naginata
KANTEI - sword appraisal
KAO - carved monogram of swordsmith on tang (nakago)
KASANE - thickness of blade
KASHIRA - sword pommel or buttcap
KATAKIRI - sword with one side flat (no shinogi)
KATANA - sword worn in the obi, cutting edge up
KATANA KAKE - sword stand
KATANA-MEI - signature side that faces out when worn edge up
KAWAGANE - skin or surface steel
KAZU-UCHI MONO - mass produced swords
KEBORI - line carving done on sword mounts
KEN - straight double edged sword
KENGYO - triangular or pointed nakago-jiri
KESHO YASURIME - decorative file marks on nakago
KIJIMATA - pheasant thigh shaped nakago
KIJIMOMO - pheasant leg shaped nakago
KIKU - chrysanthemum
KIKUBA - chrysanthemum temperline (hamon)
KIN - gold
KINKO - soft metal sword fittings (not iron)
KIN-MEI - gold inlay or gold lacquer appraiser's signature
KINZOGAN MEI - same a kin-mei
KINSUJI - golden line (type of activity in hamon)
KINZOGAN-MEI - attribution in gold inlay on nakago
KINSUJI - whitish line along hamon
KIRI - paulownia
KIRI HA - flat sword with both sides beveled to the edge
KIRI KOMI - sword cut or nick on the blade from another sword
KISSAKI - point of blade
KITAE - forging
KIZU - flaw
KO - old or small
KOBUSE - blade constructed with hard steel around a soft core
KO-CHOJI - small choji hamon
KODACHI - small tachi
KODOGU - all the sword fittings except the tsuba
KOGAI - hair pick accessory
KOIGUCHI - the mouth of the scabbard or its fitting
KOJIRI - end of the scabbard
KOKUHO - national treasure class sword
KO-MARU - small round boshi
KO-MIDARE - small irregular hamon
KO-MOKUME - small wood grain hada
KO-NIE - small or fine nie
KO-NIE DEKI - composed of small nie
KOSHIATE - leather suspensors (hangers) for a sword
KOSHIRAE - sword mountings or fittings
KOSHI-ZORI - curve of the blade is near the hilt
KOTO - Old Sword Period (prior to about 1596)
KOZUKA - handle of accessory knife
KUBIKIRI - small tanto for cutting the neck or removing heads
KUNI - province
KURIJIRI - rounded nakago jiri
KURIKARA - dragon horimono (engraving/carving)
KURIKATA - scabbard (saya) fitting for attaching the sageo
KUZURE - crumbling or disintegrating
KWAIKEN - short knife carried by women

MACHI - notches at the start of the ha and mune
MACHI-OKURI - blade shortened by moving up the ha-machi and mune-machi
MARU - round
MARU-DOME - round groove ending
MARU-MUNE - round mune
MASAME - straight grain (hada)
MEI - swordsmith's signature
MEIBUTSU - famous sword
MEKUGI - sword peg
MEKUGI-ANA - hole for mekugi
MEMPO - face guard or mask
MENUKI - hilt ornaments
MIDARE - irregular, uneven temperline (hamon)
MIDARE-KOMI - uneven pattern in boshi
MIHABA - width of sword blade at the machi
MIMIGATA - ear shaped hamon
MITOKOROMONO - matching set of kozuka, kogai and menuki
MITSU KADO - point where yokote, shinogi and ko-shinogi meet
MITSU-MUNE - three-sided mune
MIZUKAGE - hazy line in ji commonly due to re-tempering
MOKKO - four lobe shaped (a tsuba shape)
MOKUME - burl like hada
MON - family crest
MONOUCHI - main cutting portion of blade (first six inches from kissaki)
MOROHA - double-edged sword
MOTO-HABA - blade width near habaki
MOTO-KASANE - blade thickness
MU - empty or nothing
MUJI - no visible grain
MUMEI - no signature (unsigned blade)
MUNE - back ridge of sword blade
MUNEMACHI - notch at start of mune
MUNEYAKI - regions of temper along the mune
MU-SORI - no curvature

N.B.T.H.K. - Nihon Bijutsu Token Hozon Kai (sword preservation group)
NAGAMAKI - halberd weapon mounted as a sword
NAGASA - blade length (from tip of kissaki to munemachi)
NAGINATA - halberd
NAKAGO - sword tang
NAMBAN TETSU - foreign steel
NANAKO - raised dimpling (fish roe)
NAOSHI - corrected or repaired
NASHIJI - hada like pear skin
NENGO - Japanese era
NIE - bright crystals in hamon or ji
NIE-DEKI - hamon done in nie
NIKU - meat (blade having lots of fullness)
NIOI - cloud like hamon
NIOI-DEKI - composed of nioi
NIOI-GIRE - break in hamon
NODACHI - large tachi worn by high officials
NOTARE - wave like hamon
NOTARE-MIDARE - irregular wave like hamon
N.T.H.K.. - Nihon Token Hozon Kai (sword appraisal group)
NUNOME - overlay metal-work

O - large
OBI - belt sash
O-CHOJI - large choji hamon
O-DACHI - very long sword (over 30 inches)
O-KISSAKI - large kissaki
O-MIDARE - large irregular hamon
OMOTE - signature side of the nakago
O-NIE - large nie
O-NOTARE - large wave patterned hamon
ORIGAMI - appraisal certificate
ORIKAESHI MEI - folded signature
OROSHIGANE - specially processed steel for making swords
O-SEPPA - large seppa (usually on tachi)
OSHIGATA - rubbing of the signature on the nakago
O-SURIAGE - a shortened tang with the signature removed

SAGEO - cord used for tying the saya to the obi
SAGURI - catch-hook on saya
SAIHA/SAIJIN - retempered sword
SAKA - slanted
SAKI - tip or point
SAKI-HABA - blade width at yokote
SAKI ZORI - curvature in the top third of the blade
SAKU - made
SAME' - rayskin used for tsuka (handle) covering
SAMURAI - Japanese warrior or the warrior class
SANBONSUGI - "three cedars" (hamon with repeating three peaks)
SAN-MAI - three-piece sword construction
SAYA - sword scabbard
SAYAGAKI - attribution on a plain wood scabbard
SAYAGUCHI - mouth of the scabbard (koi-guchi)
SAYASHI - scabbard maker
SEKI-GANE - soft metal plugs in the tsuka hitsu-ana
SEPPA - washers or spacers
SHAKU - Japanese unit of measure approximately one foot
SHAKUDO - copper and gold alloy used for sword fittings
SHIBUICHI - copper and silver alloy used for sword fittings
SHIKOMI-ZUE - sword cane
SHINAE - ripples in steel due to bending of blade
SHINAI - bamboo sword used in Kendo
SHINGANE - soft core steel
SHINOGI - ridgeline of the blade
SHINOGI-JI - sword flat between the mune and shinogi
SHINOGI-ZUKURI - sword with shinogi
SHIN-SHINTO - New-New Sword Period (1781 to 1868)
SHINTO - New Sword Period (1596 to 1781)
SHIRASAYA - plain wood storage scabbard
SHITODOME - small collars in the kurikata and/or kashira
SHOBU ZUKURI - blade where shinogi goes to the tip of the kissaki (no yokote)
SHOGUN - supreme military leader
SHOTO - short sword (between 12 and 24 inches)
SHOWATO - sword made during the Showa Era (usually refers to low quality blades)
SHUMEI - red lacquer signature
SHURIKEN - small throwing knife
SORI - curvature
SUDARE-BA - bamboo blinds effects in hamon
SUE - late or later
SUGATA - shape of sword blade
SUGUHA - straight temper line
SUKASHI - cut out
SUN - Japanese measure, approx. one inch
SUNAGASHI - activity in hamon like brushed sand
SURIAGE - shortened tang

TACHI - long sword worn with cutting-edge down
TACHI-MEI - signature facing away from body when worn edge down
TAKABORI - high relief carving
TAKANOHA - hawk feather style of yasurime
TAMAHAGANE - raw steel for making swords
TAMESHIGIRI - cutting test
TAMESHI-MEI - cutting test inscription
TANAGO - fish belly shaped nakago
TANAGO-BARA - fish belly shaped nakago
TANTO - dagger or knife with blade less than 12 inches
TATARA - smith's smelter for making sword steel
TO - sword
TOBIYAKI - islands of tempering in the ji
TOGARI - pointed
TOGI - sword polish or polisher
TORAN - high wave like hamon
TORII-ZORI - sword curve in the middle of the blade
TSUBA - sword guard
TSUCHI - small hammer/awl for removing mekugi
TSUKA - sword handle
TSUKA-GUCHI - mouth of handle
TSUKA-ITO - handle wrapping or tape
TSUKAMAKI - art of wrapping the handle of a sword
TSUKURI / ZUKURI - sword
TSUKURU - made by or produced by
TSUNAGI - wooden sword blade to display fittings
TSURUGI - double edged, straight sword

UBU - original, complete, unaltered tang (nakago)
UCHIGATANA - fighting katana
UCHIKO - fine powder used to clean sword blades
UCHIZORI - curved inward
UMABARI - horse needle
UMA-HA - horse teeth hamon
UMEGANE - plug used to repair kizu
URA - side of the nakago facing toward the body
URA-MEI - signed on the ura (usually the date)
UTSURI - reflection of temperline in ji

WAKIZASHI - short sword (blade between 12 and 24 inches)
WARE - opening in the steel
WARI-BASHI / WARI-KOGAI - chop-sticks

YAKI DASHI - straight temperline near the hamachi
YA-HAZU - arrow notch shaped hamon
YAKIBA - hardened, tempered sword edge
YAKIDASHI - hamon beginning just above the ha-machi
YAKIHABA - width of yakiba
YAKI-IRE - fast quenching of sword (tempering)
YAKIZUME - temperline in boshi with no turnback
YANONE - arrow head
YARI - spear
YASURIME - file marks on nakago
YOKOTE - line between ji and kissaki
YOROIDOSHI - armor piercing tanto

ZOGAN - inlay
ZUKURI – sword