BUJUTSU  

De verzameling van allerhande Japanse vechtsporten wordt "bujutsu" genoemd. De meeste van deze sporten stammen af van eeuwenoude vechttradities uit de middeleeuwen.
De ware krijgskunsten zijn niet te verwarren met gewone wedstrijdsporten. Vaak drukt een teken , een symbool mťťr uit dan een redevoering. De ideogrammen ter aanduiding van de krijgskunsten zijn in China en Japan dezelfde. Alleen de uitspraak is anders: de Chinezen zeggen wu-shu, de Japanners bu-jutsu. De termen "krijgskunst" en "vechtsport" plegen een beetje verraad aan de geest van het oorspronkelijke ideogram dat uit twee karakters bestaat: "'stilhouden' en 'speer'. Van oorsprong sprak men dus over de kunst om de speer te stoppen, en de krijgskunsten ontlenen nog steeds veel van hun wezenlijke betekenis aan deze oorpronkelijke definitie. Temeer omdat men die zowel kan interpreteren als 'de kunst de speer van de tegenstander te stoppen', als'de kunst de eigen speer te stoppen'. Het is de grote kunst van uiterlijk herstel van rust en orde en innerlijke harmonie.

De weg  (do)

In oude beschavingen monden de traditionele kunsten uit op een pad dat de mens- via een lange en zware leertijd- in staat stelt zijn ervaring van de werkelijkheid en van zichzelf te verdiepen. Hij leert dat de kwaliteit van zijn werken afhangt van zijn mate van zelfbeheersing, van wat hij of zij is. zijn uiterlijke werk wordt de steunpilaar van zijn innerlijke metamorfose .
Het volgende ligt ten grondslag aan de verwarring waardoor we kung-fu als Chinees boksen beschouwen : om de kunst van het gevecht met de blote hand aan te duiden, spreken de Chinezen van chuan-shu, 'de kunst van de vuist'. De ware betekenis van kung-fu ligt in de bewuste inspanning en de volhardende oefening met het doel een meesterwerk te realiseren of meesterschap over zichzelf te verwerven. De term kung-fu wordt zeker niet uitsluitend gebruikt voor de vechtkunst, maar dient ook ter aanduiding van het niveau waarop een mens zich, op welk gebied dan ook bevindt. Zo zeggen Chinezen bijvoorbeeld over een calligraaf die uitstekend werk levert, dat zijn kung-fu hoog ontwikkeld is. In Japan kent men het pad der kalligrafie (shodo), dat van de theeceremonie (chado), dat van de bloemschikkunst (kado), kortom iedere oude kunstvorm heeft zijn eigen pad. De kunst van het gevecht vormt geen uitzondering op deze regel : de budo geeft het steile pad aan dat zich als een slang door het hart van de krijgskunsten kronkelt.
Dojo betekent in het Japans 'de plaats van de weg'. Men beoefent er het budo. Net als een tempel is de dojo een heilige plaats waar men komt om onderricht te ontvangen, zich te oefenen en op krachten te komen. Maar het budo, is niet iets dat uitsluitend in de dojo wordt beoefend. Budo is een levenskunst die op elk moment op de proef kan worden gesteld. De ware dojo , voegen de meesters daaraan toe, is de dojo die de leerling zelf in het diepste binnenste van zijn hart bouwt.


Naast het ongewapende gevecht hebben we ook verschillende sporten met het gebruik van wapens zoals de naginata (naginata-jutsu) en de boog (kyudo). De meeste ontstonden tijdens de hoogdagen van de bushido (krijgersklasse) als onderdeel van hun opleiding, of als tegenpool om zich net tegen deze samurai te kunnen verdedigen. vooral deze laatsten maakten gebruik van allerhande wapens zoals de tonfa, sai, jitte of nunshaku. De samurai zelf bedienden zich meestal van wapen zoals de katana, naginata, yari (speer) of boog (kumi). Voor bijna elk van deze wapens ontstond een aparte school, die nog tot nu als vechtsport wordt onderwezen.


KARATE    JUDO  AIKIDO   KENDO   JIU-JITSU  IAI-DO   NAGINATA  KYUDO  JODO


 

 

 

KARATE  

Karate is een zelfverdedigingskunst afkomstig uit Okinawa, Japan.  Een beoefenaar van karate heet een karateka.

Over de oorsprong van karate tast men nog in het duister, maar reeds tijdens deMeiji-periode was karate heel bekend bij het Japanse volk. Oorspronkelijk betekende karate "Chinese kunst", in het Japans werd het Chinese teken "Tong" immers als Kara gelezen. Waarschijnlijk dacht men daarom dat karate in china ontstaan was. In1937 werd de betekenis van karate echter gewijzigd en las men het in het Japans als lege hand.

De legende gaat dat zo'n 1500 jaar geleden een boeddhistisch priester, Daruma Taishi, vanuit Zuid-India naar China reisde om er de mysteries van Zen te onderwijzen. In China trok hij zich terug in de Shorinji tempel te Chung Shan in de Honanprovincie Daruma's mysteries van Zen waren zeer moeilijk aan te leren en de intense beoefening van soberheid tijdens de opleidingsperiode putte zijn volgelingen zowel geestelijk als lichamelijk volledig uit. Velen die zijn onderrichtingen wilden bestuderen moesten onderweg opgeven. Om deze toestand recht te zetten onderwees Daruma hen in een bepaalde doctrine, de onscheidbaarheid van lichaam en geest (Eki Kinkyo) genaamd, de basis van het Chinese Kempo.

Naarmate de tijd vorderde werd deze doctrine van Chinese zelfverdediging synoniem met de plaats Shorinji. De Shorinji vechtkunst (de Chinese vuist) regeerde in China en kende een bloei van honderden jaren. Geleidelijk aan vond de Shorinji-kunst van de zelfverdediging haar weg naar Okinawa . Hoewel Okinawa een eigen vorm van kempo kende ( Bushi-de of Bushi-te), werd de ontwikkeling van het Okinawa-karate zeer sterk beÔnvloed door Shorinji.

In Okinawa werd karate eeuwen na elkaar in het geheim beoefend tot het in 1901 opdook als onderdeel van het onderwijsprogramma in de Eerste Middelbare School van Okinawa. Meester Anhou Itosu was de eerste instructeur.Het was aan deze school dat Meester Gichin Funakoshi  zijn opleiding genoot en in 1916 introduceerde hij karate in Japan. Meester Funakoshi was de pionier van het karate en hij zou de rest van zijn leven wijden aan het populariseren ervan.

In zijn voetsporen kwamen er nog andere karatemeesters van Okinawa naar Japan. Het karate kende er een snelle verspreiding en er werden zeer veel karateverenigingen opgericht. Daaropvolgend werden er toernooireglementen opgesteld om van karate een competitiesport te maken.

Het mag dus gesteld worden dat karate zijn oorsprong vond in China en van daar geleidelijk zijn weg vond naar Korea, Okinawa en Japan.

Shotokan karate

Shotokan karate (moderne karate) omvat lage standen en harde technieken. Verder wordt er veel geoefend op weringen, kihon (basisoefeningen), kata en kumitť. Het is de meest beoefende karatestijl. Dezelfde directheid als WadoRyu zit er niet in, omdat het hier meer om de technieken en stijl van het moderne karate gaat.Shotokan was de eerste stijl van het moderne karate.

Wado Ryu karate

Wado Ryu karate ("wado") betekent letterlijk: de weg van de vrede en is ontwikkelt door Hironori Ohtsuka. Wado kenmerkt zich door de directheid van de bewegingen, met name het ontwijken van de tegenstander zelf (taisabaki), "het er niet zijn" is een duidelijk kenmerk van wado. Ook tijdens kata's (pinans genoemd waar die van shotokan heians heten) zijn alle overbodige bewegingen achterwege gelaten die enkel voor show zijn, maar geen directe toevoeging geven op de beweging zelf. Een ander kenmerk van de wado-ryustijl is dat veel weringen, Verdediging en aanvalstechnieken hoog (jodan) worden gegeven, in tegenstelling tot bijvoorbeeld shotokan. De wado stijl kent vijftien officiŽle kata's.

Andere stijlen

Verder zijn er nog andere stijlen van Karate zoals: Wadokai, Goju-Ryu, Shito-ryu, Kyusho, Shorin-Ryu, Genseiryu, Shorinjiryu Kekokan e.a.


 

 

 

JUDO   

Judo (柔道) is een van oorsprong Japanse vechtsport die rond 1882 is ontworpen door Jigoro Kano. Het woord betekent 'zachte weg', waarbij het woordje do (weg) verwant is aan tao en naast de betekenis 'manier' ook de connotatie heeft van 'levenspad'. Een beoefenaar van het judo heet een judoka.

De sport bestaat uit een aantal gevechtstechnieken:

Ze zijn erop gericht een tegenstander buiten gevecht te stellen zonder hem te verwonden. Slaan, stoten en schoppen zijn in de judocompetitie verboden, maar deze technieken worden wel aangeleerd bij de hogere graden, om de ontstaansgeschiedenis van judo beter te begrijpen.

Jigoro Kano had bij het ontwerpen van de sport, die ontleend is aan oudere verdedigingskunsten als jiujitsu, ook nadrukkelijk een training van de geest voor ogen. Zijn filosofie wordt gekenmerkt door twee begrippen:
  • Seiryoku Zenyo (Maximale effectiviteit met minimale inzet): wat een persoon doet, moet met optimale inzet van geestelijke en lichamelijke energie gebeuren. In het judo leert men de kracht van de tegenstander te gebruiken om hem ten val te brengen. In het leven is dit het principe van de juiste dingen doen op het juiste moment.
  • Jita Kyoei (Wederzijds profijt en welbevinden): de spelers dienen respect te hebben voor zichzelf en voor anderen. Bij het beoefenen van het judo leren ze samen te werken om zich de vaardigheden eigen te maken. Zonder tegenstander om mee te judoŽn kan men de sport immers niet leren; men werpt zelf en wordt op zijn beurt geworpen. Deze opvatting van samenwerkend leren is ook in andere gebieden van het leven geldig.

Judoka's dragen een witte katoenen broek(zubon) en een jas(kimono) die door een band (obi) bijeen wordt gehouden in het geheel noemt men dit een judo-gi. Tijdens wedstrijden van hoog niveau, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Kampioenschappen, draagt de ene judoka een wit pak en de andere judoka een blauw pak. Door dit onderscheid is deze dynamische sport beter te volgen voor zowel het publiek als de scheidsrechters. De meisjes mogen een wit T-shirt onder de jas dragen. Judolessen beginnen in geknielde houding waarbij de leraar tegenover de rij leerlingen zit en ze op het commando rei (groeten) ceremonieel naar elkaar buigen om wederzijds respect uit te drukken.


 

 

 

 

AIKIDO 

Aikido is een verdedigingskunst die in het begin van de 20e eeuw door Morihei Ueshiba ontwikkeld is. Ueshiba, door aikidoka's O'Sensei (de grote meester) genoemd, liet zich hierbij inspireren door de technieken van de Japanse Samoerai en zelfverdedigingskunsten of vechtsporten als Daito riu jiujitsu en kenjutsu.

Een beoefenaar van het aikido heet een aikidoka. Het grote verschil met vechtsporten als karate en judo enerzijds en aikido anderzijds, is dat er in aikido (op de Tomiki stijl na), geen nadruk ligt op het competitie element. Aikido is ontwikkeld als pure zelfverdediging. De beoefenaar traint zijn of haar lichaam en geest ter verbetering van zichzelf, om zichzelf te overwinnen.

AI-KI-DO betekent letterlijk de weg (DO) van het ontmoeten en in harmonie brengen (AI) van levenskracht (KI).

Aikido wordt zowel ongewapend als gewapend beoefend. Er wordt gebruik gemaakt van een houten zwaard (boken), stok (jo) en mes (tanto).

Het merendeel van de ongewapende aikido technieken maakt gebruik van klemmen en/of worpen ter verdediging tegen een gewapende of ongewapende aanval. Klemtechnieken richten zich doorgaans op het pols-, elleboog- of schoudergewricht van de tegenstander om deze zodoende onder controle te kunnen houden. Een belangrijk element bij zowel klem- als werptechnieken is het uit evenwicht brengen van de aanvaller, in veel gevallen door gebruik te maken van diens eigen aanvalskracht en -beweging. Slechts bij een minderheid van de aikido-worpen is er daarom een echt optillen van de tegenstander, aangezien de meeste worpen relatief "laag" blijven.

Afhankelijk van de sensei of de federatie kan de klemtoon meer liggen op soepelheid en ruime bewegingen of daarentegen juist op een snelle, scherpe uitvoering van de techniek. Voorts leggen sommige richtingen een grotere nadruk op wapentechnieken terwijl anderen zich vooral toespitsen op de ongewapende technieken. Nog anderen zullen zich minder met het zuiver martiale aspect inlaten om meer aandacht te kunnen besteden aan de achterliggende filosofische principes.


 

 

 

 

KENDO 

Kendō (剣道) is een Japanse zwaardvechtkunst die in de 16e eeuw is ontwikkeld om een groot aantal verschillende technieken te verenigen. Sinds 1975 wordt het concept van Kendo als volgt verwoord: "het disciplineren van het menselijk karakter door het toepassen van de principes van Katana". Kendo is dus oefening in zelfdiscipline terwijl Kenjutsu daarentegen een echte gevechtstechniek is.

Kendo wordt onderwezen met "zwaarden" gemaakt van gespleten bamboe, (shinai) geheten. De beoefenaar (kendoka) draagt een uitgebreid beschermend harnas (Bogu). Bij het Kenjutsu en 'kendo kata' worden boken (houten zwaarden) en katana (stalen zwaarden) gebruikt. In het moderne kendo zijn twee soorten aanvallen: slagen en stoten. Slagen zijn alleen toegestaan op bepaalde delen van het lichaam: de bovenkant en slapen van het hoofd, de rechter- en linkerzijde van het lichaam en de onderarmen. Stoten mogen alleen op de keel zijn gericht; of op de bovenkant van de borstplaat, bij wijze van verdediging, of om de tegenstander weg te stoten om daarna naar bijvoorbeeld het hoofd aan te vallen. Aangezien een verkeerd geplaatste stoot op de keel verwondingen kan veroorzaken wordt deze techniek op beginnersniveau veelal niet toegepast en pas later geÔntroduceerd.

Bij wedstrijden worden alleen punten toegekend wanneer de aanvallen goed, gecontroleerd en vastberaden worden uitgevoerd. Ook moet de aanvaller met een (Japanse) kreet (kiai) aangeven welk lichaamsdeel hij aanvalt. Wanneer bijvoorbeeld het doel het hoofd van de tegenstander is, moet de kreet "Men" worden geslaakt. Bij een aanval op de pols moet "Kote" geroepen worden Een aanval op de romp gaat vergezeld met Do en bij een stoot op de keel van de tegenstander moet "Tsuki" geroepen worden. Winnaar is degene die als eerste twee punten (ippon) scoort. De Internationale Kendo Federatie (IKF) is opgericht in 1970 en heeft leden in 44 landen. Iedere 3 jaar worden wereldkampioenschappen gehouden.


 

 

 

 

 

JIU-JITSU  

Jiujitsu (柔術), ju-jitsu of jioe-jitsoe kan vertaald worden als "zachte kunst" het is een zelfverdedigingskunst waarmee je in een paar seconden een aanvaller kunt controleren en/of uitschakelen. De beoefenaar ervan heet een jiujitsuka of jioe-jitsoeka. jiujitsu is als budokunst geschikt voor jong en oud. Het internationaal geldende Hepburn systeem vertaalt de kanji overigens met "jujutsu". In het jiujitsu leer je niet alleen je te verdedigen tegen verschillende aanvallen maar ook het uitvoeren van verschillende aanvalstechnieken zoals bijvoorbeeld atemi (stoten en schoppen), klemmen, drukpunten en wurgingen.

jiujitsu is in principe geen sport, hoewel er wel een sportieve versie van bestaat die sport-jiujitsu heet, en vaak ook kortweg jiujitsu genoemd wordt. Een vechtsport is gebonden aan regels, jiujitsu daarentegen is bij uitstek een vechtkunst, gebaseerd op de aanval van een tegenstander vanuit alle denkbare posities en vanuit diverse vechtdisciplines. Dit impliceert een verdediging die gebruik maakt van de meest geschikte technieken tegen die aanval. Dat dit gepaard kan gaan met technieken die als onsportief en oneerlijk worden beschouwd in de reguliere vechtsporten kenmerkt juist het jiujitsu. Het moment van verdedigen en de manier waarop er verdedigd wordt is immers het gevolg van de aanval van de tegenstander, hij of zij neemt immers op dat moment het risico en probeert de integriteit van de aangevallene te beschadigen.

Als iemand bekwaam is in jiujitsu, kunnen de gevolgen voor een aanvaller zeer ernstig zijn. Een voorbeeld is het proberen te wurgen van een persoon, de aanvaller loopt tevens de kans om een zeer forse beschadiging van zijn testikels of haar vrouwelijke genitaliŽn op te lopen via een trap of knie in het kruis. Deze techniek wordt als onsportief beschouwd, maar is wel zeer effectief in dit geval. Aan de andere kant is er een zodanige rijkdom aan technieken, dat in zeer veel gevallen de tegenstander onschadelijk kan worden gemaakt zonder hem of haar enige verwonding toe te brengen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van klemtechnieken. Gegeven een bedreiging, kan de jiujitsuka doorgaans kiezen uit diverse technieken, als dit niet het geval zou zijn, zou de verdediging overigens ook te voorspelbaar zijn.

De oorsprong van het jiujitsu (ook wel yawara of yaware-ge. genoemd) is gehuld in nevelen. Veel beoefenaars beschouwen het als een zuiver japanse vechtkunst, maar volgens andere bronnen hebben vooral Chinese monniken diverse soorten "vechtkunst" ontwikkeld. De samurai leerden destijds jiujitsu in scholen die elk van elkaar verschilden, zogenaamde ryu. Als een samurai tijdens een gevecht werd ontwapend kon hij met blote handen verder vechten. Na het eind van het feodale stelsel werden de subsidies voor de scholen stopgezet en waren de meesters genoodzaakt om jiujitsu te leren aan normale burgers. Later vloog jiujitsu over naar het Westen.

Voor de volledigheid moet opgemerkt worden dat er ook van jiujitsu wedstrijdvormen zijn waarbij wel degelijk regels bestaan: het 'fighting system' (spottend ook wel 'trapjudo' genoemd) en 'duo system'.

In het algemeen geldt: bij het trainen van elke vechtsport zal het nooit om een echt gevecht gaan. Ten behoeve van een veilige beoefening worden technieken niet 'full contact' doorgezet en de effecten ervan deels gesimuleerd. Als voorbeeld: de jujutsuka geeft tijdens de training zijn of haar trainingspartner niet voluit een knie in het kruis; de partner suggereert in plaats daarvan het effect door dubbel te slaan waardoor de rest van de techniek kan worden uitgevoerd.

Uit jiujitsu zijn diverse zelfverdedigingsvormen en -sporten voortgekomen, zoals aikido, wat oorspronkelijk Daitoryu aikijiujitsu was, en judo, waarbij de jutsu van jiujitsu een "do", een "weg" is geworden (ju-jutsu -> ju-do). Jiujitsu is een zeer flexibele zelfverdedigingsvorm: als een jujutsuka een karateka als tegenstander heeft, kan het zijn dat judotechnieken zoals wurgtechnieken en worsteltechnieken effectiever zijn. Tegenover een judoka kunnen karatetechnieken zoals trappen geschikter zijn. Omdat jiujitsu geen sport is, kan gewoon iedere techniek die efficiŽnt is gebruikt worden. De jujutsuka zal die technieken proberen te gebruiken die de tegenstander juist niet of minder goed beheerst.

 


 

IAI-DO   

Iaido (居合道; iaidō) is te omschrijven als de kunst van het snel en vloeiend trekken van het zwaard, gevold door een aanval en behoort tot het Budo.

Iaido wordt beoefend met een houten zwaard (木剣 = bokken), metalen oefenzwaard (居合刀 = iaitō) of geslepen stalen zwaard (真剣 = shinken). Welk type zwaard wordt gebruikt heeft veelal te maken met de mate van geoefendheid van de iaidoka.

Iaido is opgebouwd uit de elementen:

  • Nikitsuke, het trekken van het zwaard, gevolgd door een snijdende slag
  • Kiritsuke, de snijdende of stekende slag na nikitsuke
  • Chiburi, het afschudden van het bloed van het zwaardblad
  • Noto, het insteken van het zwaard in de schede

Alle bewegingen dienen vloeiend, zuiver en resoluut te worden uitgevoerd. De vele kata omvatten zittende en staande technieken, waarbij aanvallen van voor, achter en opzij kunnen komen. Hierbij kan het om ťťn of meedere (denkbeeldige) tegenstanders gaan. De uitvoering wordt gekenmerkt door concentratie en voortdurende waakzaamheid (残心 = zanshin).

De meeste kata (oefenvormen) worden zonder daadwerkelijke tegenstander uitgevoerd. Bij de uitvoering van technieken met men zich echter wel een tegenstander voor de geest halen zodat je een zo realistisch mogelijke situatie creŽert. Het gevoel van een werkelijk gevecht moet worden opgebouwd.

 

 

 

Tijdens de 16de eeuw werd dit onderdeel van het zwaardvechten enigszins sceptisch bekeken.  Het was niet helemaal correct volgens de bushido om zijn zwaard te gebruiken tegen een tegenstander die zelf zijn zwaard nog niet uit de schede had. "verraderlijk" , noemden sommigen het. Anderen haalden dan weer aan dat een krijger op elk moment klaar moet zijn om een aanval af te slaan. Als simultane reactie op een aanval door een andere samurai, die zijn zwaard trok om aan te vallen, was het dus wel toegestaan. De erecode verbood wel het gebruik van iai-jutsu om een andere samurai volledig onverwachts aan te vallen zonder eerst zijn bedoelingen duidelijk te maken.

Een levendig voorbeeld van iai-jutsu wordt getoond in de slotscŤne van Kurosawa's film Sanjuro. hier staan twee zwaardvechters tegenover elkaar met het zwaard in hun schede. Na een opbouw van een spannende interval, is er plots een flitsende actie. Eťn de samurai trekt zijn zwaard en haalt uit met een typische slag van boven naar onder. Op het zelfde ogenblik trekt de tweede zijn zwaard en velt zijn tegenstander met een houw naar de borst. Dit is natuurlijk maar een romantisering van zulks een gevecht. In de praktijk zouden beiden kampers zwaar gewond of zelfs beiden gedood zijn.

 


NAGINATA    

 

Naginata (なぎなた, 長刀 of 薙刀) is een speerachtig wapen dat traditioneel gebruikt werd door de samurai. Later werd dit wapen meer gešssocieerd met de vrouwen. In het moderne Japan word de naginata (als sport) meer beoefend door vrouwen als door mannen. De naginata heeft een houten stok met daaraan bevstigd een gebogen metalen snijblad. daartussen zat meestal ook een soort beschermingsplaat zoals de tsuba bij een katana.

De term naginata, verscheen voor het eerst in de geschriften van de Kojiki in 712 na Christus. Het wapen werd voor het eerst gebruikt door de Sihei vechtpriesters gedurende de Nara-periode. In schilderijen van veldslagen merken we het gebruik van de naginata op in afbeeldingen uit de Tengyo no ran-periode ( 936 na chr.). gedurende de Genpei oorlog ( Minamoto tegen de Taira) werd de naginata een veel gebruikt wapen . Het bleek uitermate effectief tegen de cavallerie die in deze periode veel gebruikt werd. Het veelvuldig gebruik van de naginata introduceerde de sune-ate (scheenbeschermers) bij de traditionele Japanse wapenuitrusting. Gedurende de Edo-periode, werd de naginata een sociaal statussymbool van de samuraivrouwen. Een naginata was dikwijls een onderdeel van de uitzet van een samurai-dochter. Alhoewel de vrouwen niet werden verondersteld te vechten als de mannen, moesten ze toch hun thuis kunnen verdedigen. Omdat ze met een naginata sterkere mannelijke tegenstanders op afstand konden houden was de naginata het wapen bij uitstek voor vrouwen. Door het toenemende gebruik van vuurwapens op het slagveld, verdween de naginata vanaf de 17de eeuw stilaan uit het oorlogsbeeld.

 

 


 

KYUDO   


Yabusame :  Boogschieten van op het paard

 

 

 

 

jo-do

Jodo ofwel "the way of the stick", is een vechtkunst die gebruik maakt van de stok. Deze stok is ongeveer 128 cm lang en 2,5 cm dik. een langere versie van deze stok noemt men een BO (ongeveer 2m lang). Jodo wordt zelden apart beoefend, maar meestal in combinatie met sporten zoals jiu-jitsu of aikido. Door het grote gevaar op kwetsuren is er in het jodo ook geen vrij gevecht maar enkel kihon en kata.

Het ontstaan van jodo gaat terug tot in de 16de eeuw met de beroemde samurai Myamoto musashi, een legendarisch zwaardvechter uit het feodale Japan. Deze zwaardvechter trok door gans Japan om zijn zwaardkunst te perfectioneren. Op ťťn van deze reizen ontmoette hij Muso Gonnosuke, een samurai die zeer bedreven was in het vechten met de BO. Musashi ging in op de uitdaging van Gonnosuke en won zonder problemen. Uitzonderlijk voor zijn doen spaarde hij het leven van Gonnosuke. Uit dit gevecht concludeerde Gonnosuke dat de BO een te log wapen was, en hij ontwikkelde de JO. Hij leende technieken van de BO, YARI (speer), NAGINATA (hellebaard) en TACHI (zwaard). Later ontmoette hij weer Musashi, en ze vochten opnieuw. Deze keer was het Gonnosuke die won, en uit respect spaarde hij nu ook het leven van Musashi. Volgens sommige versies van de legende stopten beiden net op het laatste ogenblik hun aanval, en beiden realiseerden zich dat als ze hun aanval niet hadden gecontroleerd, beiden dood waren geweest. Dit was het kortste dat Musashi ooit bij een nederlaag was geweest. Gonnosuke stichtte toen de SHINDO MUSO RYO school.

In het moderne jodo zijn er ongever 12 kata's . De voornaamste technieken bestaan uit het stoten naar de plexus en het gezicht, en slagen naar de handen of het hoofd. Andere technieken bestaan erin om het wapen van de tegenstander op te vangen en te blokkeren tegen zijn lichaam of de grond. Het doel van JODO is het ontwapenen van de tegenstander, en niet om hem te doden.